De spontaneïteit en het meesterschap die de bijna tachtigjarige Altman blijft tonen, lijkt wel die van een 50 jaar jonger natuurtalent. Ook in zijn nieuwste film The Company geeft Altman daar weer eens blijk van. Als je bedenkt dat hij in elk decennium wel één of meerdere sleutelfilms wist te maken - films die perfect de tijdgeest vatten en dat steeds doen op een integere, puur cinematografische, maar vooral ook intellectueel stimulerende manier - vraag je je soms af waarom hij niet vaker de grootste, nog levende Amerikaanse regisseur wordt genoemd.
...

De spontaneïteit en het meesterschap die de bijna tachtigjarige Altman blijft tonen, lijkt wel die van een 50 jaar jonger natuurtalent. Ook in zijn nieuwste film The Company geeft Altman daar weer eens blijk van. Als je bedenkt dat hij in elk decennium wel één of meerdere sleutelfilms wist te maken - films die perfect de tijdgeest vatten en dat steeds doen op een integere, puur cinematografische, maar vooral ook intellectueel stimulerende manier - vraag je je soms af waarom hij niet vaker de grootste, nog levende Amerikaanse regisseur wordt genoemd. Ongetwijfeld heeft het met zijn sensibiliteit van individualist te maken, zijn drang om als 'onafhankelijk' filmmaker binnen of in de marge van 'het systeem' voortdurend nieuwe uitdagingen aan te gaan. Tegelijk wil hij ook een sociaal en politiek bewust werk afleveren (al is die bezieling zelden expliciet, met als grote uitzondering zijn schitterende televisiereeks Tanner 88). Als ontdekker of hoeder van acteertalent kan de oude meester anders tellen. Robert Duvall, Donald Sutherland, Elliott Gould, Keith Carradine, Tim Robbins, Geraldine Chaplin, Shelley Duvall, Joan Allen, Glenda Jackson, Julianne Moore, allemaal leverden ze hem in zijn films een van hun meest bevredigende prestaties. De in 1925 in gokstad Kansas City geboren 'laatbloeier' - tot 1955 maakte hij uitsluitend 'in opdracht' documentaires en televisie - komt eveneens in aanmerking voor de titel van renaissancemeester: zo regisseerde hij ook theater, waagde hij zich aan opera, ontwierp hij ooit een Swatch-horloge en bedacht hij de Identi-Code, het idee om bij kleine huisdieren een identificatienummer te laten tatoeëren. Dat bracht hem zelfs tot bij de hond van president Truman. We kunnen de éminence grise van de Amerikaanse cinema, die meer klassiekers maakte dan Johan Museeuw er won, dan ook niet beter eren door een opsomming te geven van zijn overweldigende filmografie (zijn tientallen documentaires, televisieseries en televisiedrama's niet meegerekend).Na zuiver opdrachtwerk maakt Altman zijn fictiedebuut met dit typisch semi-documentair product van de paranoïde jaren '50, toen de teenager, jeugddelinquentie en drugs al te dikwijls werden geproblematiseerd. 1957, met Tom Laughlin, Peter Miller In dit portret traceert Altman op een caleidoscopische wijze het idool en icoon vanaf zijn universiteitsjaren tot aan zijn auto-ongeluk. 1957 Het drama over de eerste bemande ruimtevlucht naar de maan was Altmans vuurdoop in Hollywood. Zijn schijnbaar freewheelende toets valt nog niet echt op, maar wel zijn onwaarschijnlijk talent als auditief experimenteel kunstenaar. 1968, met Robert Duvall, James Caan Altman boort hier voor het eerst maximaal zijn stilistisch arsenaal aan. Het bleek enorm efficiënt in deze schrikaanjagende studie van eenzaamheid en waanzin, waarin een vrouw een stomme, ogenschijnlijk hulpeloze jongen in huis haalt en doodsbang is hem te verliezen. 1969, met Sandy Dennis, Michael Burns Dé grote doorbraak van Altman was deze bijtende komedie, die de tijdgeest als geen ander vatte. ' This isn't a hospital! It's an insane asylum! ' schreeuwt hoofdverpleegster O'Houlihan in het Mobile Army Surgical Hospital in Ko- rea (de stand-in van Vietnam), waar Hawkeye Pierce en Trapper John de nodige grappen uithalen om aan de dagelijkse, zonder scrupules verbeelde, oorlogsgruwel te ontkomen. 1970, met Donald Sutherland, Elliott Gould De titelheld van deze geflipte komedie is een jongeman die met behulp van een mysterieuze engelbewaarster poogt te vliegen als een vogel. Altman misschien wel op zijn lichtst - zonder veel impact maar nooit vervelend. 1970, met Bud Cort, Shelley Duvall Deze poëtische anti-western werd weergaloos gefotografeerd door Vilmos Zsigmond en glijdt voort op weemoedige Leonard Cohen-songs. Een wat obscure ondernemer scheept een stadje op met een saloon en bordeel, en sluit met een aan opium verslaafde 'hoerenmadam' een deal. Emotionele block en agressief kapitalisme leiden tot de ondergang, en tot een briljante showdown in een sneeuwstorm. 1971, met Julie Christie, Warren Beatty Dit vergeten meesterwerk vol spiegelmotieven tekende Altman in de lijn van Bergmans Persona, Polanski's Repulsion en Roegs Don't Look Now. Een schrijfster van kinderboeken valt in een landhuis in Ierland aan een psychose ten prooi. John Williams' experimentele score vertolkt prachtig de mentale desintegratie. 1972, met Susannah York, Cathryn Harrison Deze film, een 'heiligschennende' adaptatie van Raymond Chandler, is een sublieme oefening in existentialistische malaise en speelt zich af in een Los Angeles dat als één grote gezichtsbegoocheling oogt. De heftig rokende en cynisch schertsende Gould speelt een hopeloos anachronistische Philip Marlowe. 1973, met Elliott Gould, Sterling Hayden In dit verhaal over love on the edge en misdaad als enige levensoptie kijkt Altmans sociale oog eerlijk maar vol mededogen naar een schrijnende werkelijkheid. Ondertussen zorgt een radioshow rond Romeo en Julia voor een komisch contrapunt. 1974, met Keith Carradine, Shelley Duvall Het narratieve hoogtepunt van Altmans free-jazz-regie over twee gokverslaafden dat uitgroeit tot een stilistische lofzang op het gokspel. De gebeurtenissen en emoties worden verrijkt met een geluidsmozaïek die dialogen, aan de gokkerswereld inherente soundbites en songs van Phyllis Shotwell over elkaar legt. 1974, met George Segal, Elliott Gould Nashville is een briljante en meerstemmige mozaïek, met afwisselend een bijtende en een tedere blik op showbizz, macht en politiek. Grootheden van de country en hun entourage worden hier voor de voeten gelopen door fans, wannabees en losers. 1975, met Keith Carradine, Geraldine Chaplin Arthur Kopits toneelstuk over de mythevorming rond 'de Verenigde Staten' wordt in Altmans handen een toonbeeld van sarcasme en demystificatie. De mise-en-scène doet qua beweeglijkheid en breedvoerigheid niet onder voor Buffalo Bills spektakel. 1976, met Paul Newman, Frank Kaquitts In deze bijna surreële film hangt Pinky, een verlegen meisje, in een kuuroord aan de lippen van de met nepglamour uitpakkende Millie. Een geheimzinnige switch van persoonlijkheden zorgt echter plots voor een Altmaneske verwarring. Uniek in zijn kleurendesign en in de fabelachtige vertolkingen. 1977, met Sissy Spacek, Shelley Duvall Altman hekelt het instituut van het 'huwelijk' in dit complex opgebouwde verhaal. Het trouwfeest eindigt uiteindelijk in volledige verwarring, en dat terwijl de camera met elk geschonken glas stoutmoediger wordt. 1978, met Geraldine Chaplin, Vittorio Gassman Eén van Altmans meest extreme experimenten: een postapocalyptische ijsfabel over een stad (de voormalige site van de wereldtentoonstelling van Montreal) waar de burgers een dodelijk ganzenspel spelen om het mentale einde te bestrijden. Glaciaal van opzet, genadeloos gitzwart van toon. 1979, met Paul Newman, Vittorio Gassman Altmans wellicht meest onderschatte film vertelt het verhaal van een traditionele Griek en een meid met hoog rock-'n-roll-gehalte die elkaar ontmoeten via videodating, maar verschillen in achtergrond en karakter belemmeren hun geluk. 1979, met Paul Dooley, Marta Heflin Williams is de pijprokende spinaziebal Popeye en Duvall Olijfje in Altmans versie van de cartoon. Ondergewaardeerd en stilistisch opmerkelijk door de keuze voor een vlakkende telelensfotografie en Williams' vlekkeloze imitatie van Jack Mercers stemmenkunst. 1980, met Robin Williams, Shelley Duvall In deze reflectie over geld, status en macht, legt Altman eens te meer de sociale en sociopathologische obsessies van de VS bloot. Hier hekelt hij de gezondheidshysterie van de jaren '80. 1980, Glenda Jackson, James Garner, Lauren Bacall Een groep vrouwen komt samen voor een reünie van hun James Dean fanclub, die aanwezig was toen Giant in het buurstadje werd gefilmd. Altman zorgt voor een superbe ensemblespel met onderhuidse spanningen. 1982, Karen Black, Kathy Bates, Cher, Sandy Dennis Zenuwslopende theaterverfilming waarin Altman een viertal Vietnamrecruten observeert. In hun kazerne worden onbestemde angst, raciale en seksuele vooroordelen onthuld. 1983, Matthew Modine, Mitchell Lichtenstein Uitmuntend huis clos met Hall als president Nixon die in dronken toestand op vrijwel alles commentaar geeft. Altman omzeilt het claustrofobische gevoel van één ruimte door regelmatig te switchen naar een veiligheidsmonitor die Nixons tirade ijzig registreert. 1984, Philip Baker Hall Altman verplaatst Sam Shepards toneelstuk naar de woestijn in Santa Fe. Daar keert een mysterieuze doler naar zijn oude liefde terug. Shepard zelf en Kim Basinger zijn als vuurstenen in dit somber relatiedrama. 1985, met Sam Shepard, Kim Basinger De komedie blijft Altmans geliefkoosde terrein. Hier observeert hij op z'n Woody Allens een groep neurotische New Yorkers die vooral daten en therapie volgen. 1987, met Jeff Goldblum, Glenda Jackson Deze heerlijke dadaïstische film is een satire op de tienerkomedie. Twee pubers hebben zich voorgenomen het leven van hun nerdy buren zuur te maken. 1987, met Daniel H. Jenkins, Neill Barry Bezielde maar wat brave analyse van de rol van Vincent Van Goghs broer in de creatieve ontwikkeling en psychische neergang van de schilder. Niettemin wordt er schitterend gebruikgemaakt van de authentieke locaties. 1990, met Tim Roth, Paul Rhys Zelden liet the industry zichzelf - met de medewerking van zichzelf spelende acteurs - zo te kijk zetten. Tim Robbins speelt een haai van een movie executive die gechanteerd wordt door een verbitterde scenarist en geen lijk schuwt om zijn ambitie te voeden. 1992, met Tim Robbins, Greta Scacchi In deze wervelstorm transformeert Altman de kortverhalen van Raymond Carvers perfect tot een ingenieus weefsel van geniaal acteren, briljante montage en een vlijmscherpe cultuuranalyse. 1993, met Lily Tomlin, Tim Robbins, Julianne Moore Prêt-à-porter toont duidelijk Altmans voortdurende wil om een visuele mentaliteitsgeschiedenis te creëren. De plotse dood van een modegoeroe en de speculaties rond eventuele moord vormen de spil van deze exhibitionistische filmshow over een exhibitionistische wereld. 1994, met Sophia Loren, Kim Basinger, Marcello Mastroianni Altmans thuisplaats - de verbrokkelende gokstad - krijgt de hoofdrol in dit gangsterverhaal dat liefde, misdaad, rassenprobleem en politiek, maar bovenal de sociale hypocrisie hekelt. Bovendien een ode aan een gouden epoque van de jazz. 1996, met Jennifer Jason Leigh, Miranda Richardson In deze Grisham-adaptatie werpt een advocaat het volle gewicht van zijn advocatenkantoor in een zaak rond een liefje dat door haar waanzinnige vader wordt geterroriseerd. Bijzonder onheilspellende fotografie van Changwei Gu. 1998, met Kenneth Branagh, Robert Duvall Ietwat luie, typische 'jazzy' Deep-South-komedie over een theaterdirectrice die de zelfmoord van haar tante verdoezelt om de goede naam van de familie te bewaren. Op zijn gekende manier laat Altman de excentriciteit van het kleinstedelijke, zuiderse leven zien. 1999, met Glenn Close, Julianne Moore Deze film opent briljant aan de receptie van een knappe gynaecoloog, waar de vrouwelijke elite van Dallas zich heeft verzameld. Eindigen doet hij met een imposante storm en een half-mythische geboorte in een wasteland. Gere is perfect gecast als de vrouwenmagneet wiens leven disintegreert als zijn vrouw (een opmerkelijke comeback van Farah Fawcett) in de psychiatrie belandt. 2000, met Richard Gere, Farah Fawcett De briljante hommage aan Jean Renoirs La règle du jeu, onder het mom van een detectiveverhaal à la Agatha Christie, geeft blijk van een buitengewone mise-en-scène en speelt weergaloos met de ruimte. 2001, met Michael Gambon, Maggie Smith, Alan Bates Altman richt de lens intimistisch, maar in alle beweeglijkheid van het dansen zelf, op de harde, dagelijkse realiteit van het Joffrey Ballet van Chicago. (zie ook bespreking in de rubriek bioscoop) 2003, met Neve Campbell, Malcolm McDowell Jo Smets