Over de dood praten is soms makkelijker dan over het leven. Zeker als je een cowboy bent. Tom Moorhouse, een gezicht doorkliefd als een grand canyon, weet perfect hoe hij wil sterven. Op zijn paard. Al werkend. Hij is een cowboy en zal doodgaan als een cowboy. Dat hoopt hij. Want een cowboy op pensioen, dat is niets. Dan kun je beter dood zijn.
...

Over de dood praten is soms makkelijker dan over het leven. Zeker als je een cowboy bent. Tom Moorhouse, een gezicht doorkliefd als een grand canyon, weet perfect hoe hij wil sterven. Op zijn paard. Al werkend. Hij is een cowboy en zal doodgaan als een cowboy. Dat hoopt hij. Want een cowboy op pensioen, dat is niets. Dan kun je beter dood zijn. Jeroen Meus en hij zaten elk in een opplooibare kampeerstoel op een weidse Texaanse vlakte. Meus wat opgelaten, hij rustig als een honderdjarige boom. Het werd stil. En plots had de knoestige man tranen in de ogen. Niet dat je ze te zien kreeg. Niet dat er een camera onder de rand van zijn cowboyhoed kroop om de flikkering van die traan te vangen. Niet dat ernaar gevraagd werd. Het was een vermoeden. Omdat het zo'n moment was om tranen in de ogen te krijgen. De vlakte, de wind, de eindeloosheid. 'Damned, Jerry', zei Tom. 'Ik moet mijn ogen droog vegen.' Tijd, dat is wat Meus bij kilo's neemt op zijn tocht langs zachtjes vergeten gemeenschappen. Hij forceert niet, hij laat gebeuren. Voorzichtig biedt hij aan of hij 'misschien wat uien kan pellen'. Hij dringt zich niet op, maar als hij met zijn vingers deegbolletjes draait of uien snijdt, dan komt zijn eigen meesterschap boven en ontstaat er iets als een band, of wederzijds respect. Onuitgesproken. En dan wordt het duidelijk dat eten misschien wel het mooiste excuus is om het heel simpel over het leven te hebben. Over het echte leven, met aan het begin de geboorte, ertussen alle jaren waarin je dat leven bij zijn nekvel probeert te grijpen en het einde waarbij dat leven dat je nooit begrepen hebt, je weer ontglipt. In Goed volk eet Jeroen Meus zich een weg naar binnen bij mensen die zich moeilijk laten openen. Sumoworstelaars, bejaarden, cowboys. Terwijl hij deeg kneedde in de elektriciteitsloze huifkar van Charlie, die hem gnuivend vertelde dat het moet voelen 'als de buik van een dikke vrouw', vroeg Meus hem wat plompverloren of hij gelukkig is. Charlie draaide aan zijn imposante snor en zei zeer beslist 'ja'. Al maakte de toekomst hem soms bang. Wat blijft er over als je geen cowboy meer bent? En ook: wat blijft er van alle cowboys van de wereld over als niemand nog zin heeft om in de brandende hitte vijfhonderd kalveren te brandmerken, te vaccineren en te castreren? 's Avonds keerden de mannen van de prairie terug. Op hun paarden, met geschaafde kinnen, bloedvlekken op hun hemden en met een emmer bloederige kalfskloten. 'Bergoesters', noemen ze die met een scheef lachje. In een kring rond de emmer sneden ze het vel open en drukten ze de kloten eruit. Om morgen bij de soep te doen. Ze zeiden niet veel. Ze deden wat ze al zo lang deden en wat misschien niemand meer zal doen als zij er niet meer zijn. Het besef tot een uitstervend ras te behoren, het werd niet met zoveel woorden gezegd, maar ze waren zich er scherp van bewust. 'Ga je je ons herinneren?' Het was de enige vraag die ze Meus stelden. Op het einde, net voor hij vertrok. 'Altijd', zei hij. Meer dan over eten gaat Goed volk over wat we dreigen te vergeten. In die zin is het een reis tegen de tijd. Ontroerend en adembenemend mooi. ***** elke maandag, 20.40, één DOOR TINE HENS'GA JE JE ONS HERINNEREN?' WAS DE ENIGE VRAAG DIE DE COWBOYS JEROEN MEUS STELDEN. MEER DAN OVER ETEN GAAT GOED VOLK OVER WAT WE DREIGEN TE VERGETEN.