Alain Bergala, ed. des Cahiers du Cinéma, 384 blz., a 59
...

Alain Bergala, ed. des Cahiers du Cinéma, 384 blz., a 59 'Elke film heeft een begin, een midden en een einde, maar niet noodzakelijk in die volgorde.' Het is een van de vele boutades van Jean-Luc Godard, die als geen ander zijn technische en artistieke innovaties ook in hapklare slogans wist te vertalen. Hoewel de intussen 76- jarige meester van het filmmodernisme nog altijd bijzonder actief is en zijn aanhangers elke periode uit zijn grillig parcours de hemel in prijzen (van zijn radicale maoïstische uitstapjes tot zijn video-experimenten) is iedere zinnige filmkenner het erover eens dat zijn meest toonaangevende films dateren uit de jaren 60. Van 1959 ( A bout de souffle) tot 1968 ( Week-end) om precies te zijn, maakte hij snel na elkaar vijftien langspelers die de cinema voorgoed hebben veranderd. Godard trok met zijn camera de straat op (dankzij nieuwe lenzen en belichtingsmateriaal werd film mobieler), legde het alledaagse leven van jonge Fransen vast, vatte de seksuele vrijheid van de sixties en verstoorde met zijn jump-cuts, zijn collageachtige structuur, zijn verwijzingen naar popart en typografische vondsten de vloeiende lijn van de klassieke cinema. De grote Godardkenner Alain Bergala reconstrueert in Godard au travail de wordingsgeschiedenis van die eerste vijftien lange speelfilms van dit icoon van de nouvelle vague. Zoals de titel van zijn boek al aangeeft, vertrekt Bergala niet van de mythe Godard (door de cineast trouwens zorgvuldig gecultiveerd), maar onderzoekt hij geduldig zijn werkmethode. Hij duikt de archieven in en vergelijkt de verschillende scenarioversies met het uiteindelijke resultaat. Aan de hand van concrete documenten (zoals de opnameschema's) spreekt hij veel opgeklopte verhalen tegen. Zo blijkt Pierrot le fou, in tegenstelling tot wat de legende laat uitschijnen, een van de best voorbereide films van Godard te zijn, waar maar weinig improvisatie aan te pas kwam. Godard zei ook dat je 'om een film te maken maar twee dingen nodig hebt, een meisje en een geweer'. Ondanks Jean Seberg in A Bout de souffle of Brigitte Bardot in Le Mépris was dat meisje voor Godard Anna Karina, zijn grote muze van Le Petit soldat tot Made in U.S. A. Films, zo demonstreert Bergala ook, waarin je stap voor stap de turbulente evolutie kunt volgen van de relatie tussen de regisseur en zijn favoriete actrice. Patrick Duynslaegher