Toen directeur Thierry Frémaux zes weken geleden de selectie van het 71e filmfestival van Cannes aankondigde, steeg zo mogelijk nog meer rumoer op dan die keer dat Belgiës bondscoach Roberto Martinez het in zijn ijle kaalhoofd haalde om Radja Nainggolan thuis te laten. 'Dit wordt geheid de zwakste editie in jaren', werd her en der geopperd. Cannes heette passé, elitair en gefixeerd op smokings en hoge hakken te zijn. Bovendien leek de kloof met Hollywood - er waren hooguit een handvol Amerikaanse films geselecteerd - dieper te gapen dan ooit tevoren, waarmee de toekomst van de cinema als kunstvorm voor de massa er volgens sommigen plots wel heel grimmig uitzag.
...

Toen directeur Thierry Frémaux zes weken geleden de selectie van het 71e filmfestival van Cannes aankondigde, steeg zo mogelijk nog meer rumoer op dan die keer dat Belgiës bondscoach Roberto Martinez het in zijn ijle kaalhoofd haalde om Radja Nainggolan thuis te laten. 'Dit wordt geheid de zwakste editie in jaren', werd her en der geopperd. Cannes heette passé, elitair en gefixeerd op smokings en hoge hakken te zijn. Bovendien leek de kloof met Hollywood - er waren hooguit een handvol Amerikaanse films geselecteerd - dieper te gapen dan ooit tevoren, waarmee de toekomst van de cinema als kunstvorm voor de massa er volgens sommigen plots wel heel grimmig uitzag. Maar nu de rode lopers zijn opgerold en de zaallichten weer branden, moeten zelfs devote doemdenkers hun ongelijk toegeven. Van de 21 films die dit jaar meedongen naar de Gouden Palm bleken de meeste meer dan uitstekend, en als de selectie - een mix van gevestigde filmauteurs en blaffende jonge honden - één ding heeft bewezen, dan wel dat cinema nog altijd heel erg divers, innoverend en springlevend is. Ja, ook zonder filmsterren of streamingdiensten. Twaalf dagen lang openbaarde cinema zich als vanouds als een immersieve wereldexpo in beeld en geluid, als een onuitputtelijke encyclopedie die langs de zintuigen passeert en duidelijk maakt dat de cinemazaal - en niet de laptop of het tv-scherm - dé plek bij uitstek is om naar andere oorden en dimensies te worden getransporteerd. Cate Blanchett en haar collega-juryleden hadden dan ook keuze zat om een deftig palmares samen te stellen, en dat is ook wat ze deden. De Pool Pawel Pawlikowski werd uitgeroepen tot beste regisseur voor Cold War, een jazzy liefdesballade in zwart-wit die de gevoelstemperatuur van de Koude Oorlog flink de hoogte in jaagt. Buster Keaton-lookalike Marcello Fonte werd gelauwerd als beste acteur voor zijn rol in Matteo Garrone's Dogman, een venijnig bijtende rashond van een misdaaddrama. En Samal Jesljamova mocht zich beste actrice noemen als het titelpersonage van Sergej Dvortsevojs Akya, een soort Rosetta op z'n Russisch. De scenarioprijs werd gedeeld door Jafar Panahi en Alice Rohrwacher, voor respectievelijk de roadmovie Three Faces en de pastorale fabel Lazzaro felice. En Jean-Luc Godard, de laatste overlever van de nouvelle vague, kreeg op zijn 87e een speciaal voor hem in het leven geroepen ere-Gouden Palm voor zijn filmessay Le livre d'image en voor 'de onvermoeibare wijze waarop hij de grenzen van het filmmedium aftast en herdefinieert'. Bovendien viel op de drie hoofdprijzen weinig af te dingen - behalve misschien op de juryprijs voor Nadine Labaki's Capernaum, een overnadrukkelijk oorlogsdrama over straatarme Syrische kinderen in Libanon. De Grand Prix, de officieuze 'zilveren' Palm, ging naar BlacKkKlansman, Spike Lees beste en kwaadste film in jaren, een suspensesatire over een zwarte flik die tijdens de jaren 70 bij de Ku Klux Klan infiltreert, maar vooral: een welgemeende, heel erg hedendaagse fuck you aan het adres van Trump en co. De hoofdvogel, de Gouden Palm, werd uiteindelijk afgeschoten door Shoplifters van de Japanner Hirokazu Kore-eda, een fraai, teder en intens humanistisch drama over een stel criminele outcasts die samen een warme ersatzfamilie vormen. Dat het misschien niet de allerbeste film uit de competitie was, en allicht zelfs geeneens de beste uit Kore-eda's catalogus, mag voor één keer als detailkritiek worden beschouwd. Tenslotte moet men al ver gaan zoeken om een filmauteur te vinden die de voorbije twintig jaar zo'n indrukwekkend oeuvre wist uit te bouwen - denk aan prachtprenten als Maborosi, After Life, Nobody Knows en Still Life - en nog verder om iemand te vinden die Kore-eda's sympathieke, zich in de slipstream van Ozu en Naruse nestelende shoplifters de prestigieuze prijs misgunt. Toch zal deze 71e editie niet alleen de annalen ingaan als die waarin Kore-eda's shoplifters de Gouden Palm en vele cinefiele harten wisten te stelen, die waarin selfies verboden werden tijdens de montée des marches, of die waarin het festival halfslachtige pogingen deed om zijn wagonnetje aan #metoo en Time's Up te haken. Het zal ook voor altijd de editie zijn waarop Lukas Dhont Vlaamse filmgeschiedenis schreef met Girl, zijn pracht van een debuut over de vijftienjarige ballerina Lara, die als jongen geboren werd maar volwaardig vrouw wil worden. Een plek bemachtigen in de officiële selectie was al een heuse tour de force - de laatste, Vlaamse film die daarin slaagde was Hugo Claus' Het sacrament, in 1989 - maar dat bleek slechts het begin van een triomftocht die tot ver buiten de landsgrenzen resoneerde. 'Een verbluffend debuut', kopte Variety. 'Een ware ontdekking', kirde The Wrap. 'Een adembenemend empathische vertelling', jubelde Sight and Sound. En het bleef niet bij lovende recensies in binnen- en buitenland. Hoofdrolspeler en nieuwkomer Victor Polster, die de Croisette trakteerde op een perfecte split, kreeg de prijs voor beste acteerprestatie (m/v) in de sectie Un Certain Regard, voorgezeten door Benicio del Toro. Het internationale filmjournaille bekroonde Girl tot beste film in dezelfde sectie. En er was de Queer Palm, die de beste film honoreert die lgbt-thema's aankaart. Nóg straffer was dat Dhont, een spraakwaterval in meerdere talen, ook de Camera d'Or won voor beste debuut. Die eer was eerder weggelegd voor ronkende regisseursnamen als Jim Jarmusch, Jafar Panahi, Naomi Kawase, Steve McQueen, en Jaco Van Dormael, de enige Belg die Dhont daarin voorafging, in 1991 met Toto le héros. Voor één keer hoefde de Vlaamse pers dus niet de chauvinistische turbo aan te zetten. Girl was gewoon een van de hoogtepunten van het festival. De film, die in het najaar in de Belgische bioscopen komt, volgt Lara's emotionele en fysieke traject op een even tactiele, tedere als genuanceerde manier, waarbij Dhont de focus niet zozeer op de transgenderthematiek legt, maar op de universele problemen die de puberteit nu eenmaal met zich meebrengt. Bovendien doet hij dat zonder ook maar één valse, sentimentele noot aan te slaan, en op zo'n cinematografisch mature manier dat je nauwelijks gelooft dat de regisseur amper 26 is. Waar winnaars zijn, zijn evenwel ook verliezers, en dat was deze editie niet anders. Lee Chang-dong moest met lege handen terug naar Zuid-Korea, hoewel zijn losjes op een novelle van Murakami gebaseerde film Burning (een mysterydrama over een manipulatieve ménage à trois) de competitiefilm was die na het rollen van de credits het langst bleef smeulen. Voor velen was het prachtig gefilmde en langzaam hypnotiserende Burning topfavoriet voor de Gouden Palm, ook al omdat de film op het scorebord van de vakbladen een gemiddelde van 3,8 op 4 had laten optekenen. Daarmee evenaarde Lee het festivalrecord van Maren Ades Toni Erdmann, dat twee jaar geleden trouwens ook verrassend naast het palmares donderde. Wat ook ontbrak, waren schandaalfilms die de Croisette in tweeën splitsten als destijds Mozes de Rode Zee. De film met de meeste walk-outs tijdens de première was ongetwijfeld The House that Jack Built, de serial-killerthriller waarmee Lars von Trier zijn comeback vierde in Cannes nadat hij er zeven jaar geleden zijn sympathie had betuigd voor Hitler en daarop als persona non grata door het festival werd verbannen. Toch was zijn nieuwe film niet het perverse gruwelfestijn waarvoor sommigen hadden gevreesd - en anderen stilletjes gehoopt - maar eerder een sardonische trip door Von Triers eigen gekwelde psyche, met Matt Dillon als zijn moordlustige en artistiek aangelegde alter ego. Ook Gaspar Noé (het Franse enfant terrible achter Irréversible, Enter the Void en andere shockers - hield het voor zijn kinky doen behoorlijk zedig met Climax, een nochtans opwindend en bedwelmend filmfeestje over dansers on acid dat in het nevenfestival Quinzaine des Réalisateurs in première ging. Alleen Under the Silver Lake, een psychedelische neonoir waarmee Amerikaans talent David Robert Mitchell zijn indiehorrorhit It Follows opvolgde, zorgde voor enige polemiek. Maar dan vooral over de vraag of zijn film, met zijn absurde plotwendingen en gestaag aanzwellende wtf-factor, nu een holle, amorfe David Lynch-pastiche was dan wel een geestige, ingenieuze popculturele puzzel. For the record: het was wel degelijk dat laatste. Uiteraard waren er ontgoochelingen die even hard insloegen als de niet-selectie van Radja Nainggolan. Jia Zhangke leverde met Ash Is the Purest White wel een eerbare, bij momenten bevlogen liefdeskroniek af die China's kapitalistische revolutie kritisch belicht, maar een piek in zijn oeuvre kon je de film toch niet noemen. Ook Ramin Bahrani stelde teleur met zijn nieuwe versie van Ray Bradbury's dystopische doemvisioen Fahrenheit 451. Eva Hussons Les filles du soleil bleek pathetische oorlogskitsch die ongewild naar Mel Gibson deed verlangen. En Terry Gilliams langverwachte The Man Who Killed Don Quichote, de slotfilm van het festival, bleek niet dat spetterende fantasyavontuur waar elke filmliefhebber op had gehoopt, zeker na alle stortregens, rechtszaken, beroertes en andere windmolens waartegen Gilliam de voorbije twintig jaar heeft moeten vechten. Gelukkig bleken dat slechts vluchtige, voorbijdrijvende wolkjes aan een stralende cinefiele hemel, want hoeveel kritiek Cannes de jongste jaren ook te slikken kreeg - in sommige gevallen terecht - het festival deed ook dit jaar precies wat een zichzelf respecterend filmmekka hoort te doen: een staalkaart bieden van kwalitatieve cinema in alle vormen, maten en manifestaties, een barometer zijn voor alles wat leeft in en rond de bioscoopzaal. Dat Netflix dit jaar zijn kat stuurde - in zijn geval: een streaminglink van een kat - bleek alvast geen groot verlies. Dat er wat minder Angies, Scarletts en andere Clooneys op de Croisette werden gespot al evenmin. En de boodschap dat Cannes meer moet inzetten op diversiteit lijkt het festival te hebben begrepen. Tenslotte is het misschien wel de enige plek ter wereld waar je Egyptische lepralijders (Yomeddine), Russische rockers (Leto), Franse vakbondsleiders (En guerre), Belgische transgenders (Girl), Nicolas Cage (Mandy) en stormtroopers (Solo) onder één en hetzelfde dak vindt. Alleen een ninja als Nainggolan ontbreekt, maar dat geldt niet alleen op het festival van Cannes. Vive le cinéma! Forza Radja!