Het is zes uur 's avonds en Brecht veegt de slaap uit zijn ogen. Niet de slaap die ons besluipt na een dag werken, maar de slaap die 's ochtends voor de koffie in ons lichaam hangt. Hij is een nachtarbeider. 'Er is niemand wakker. Er is geen afleiding. Onvermijdelijk moet je stoppen met constant je mails te checken, want er komt toch niets binnen.' We staan aan de toog in wat zichzelf een jazzcafé noemt en vangen flarden van een gesprek over de laatste match van de Buffalo's op. Brecht twijfelt tussen een koffie, normaal na een ontbijt, en een pintje, misschien wat zwaarder op de maag. Het wordt een pintje.
...

Het is zes uur 's avonds en Brecht veegt de slaap uit zijn ogen. Niet de slaap die ons besluipt na een dag werken, maar de slaap die 's ochtends voor de koffie in ons lichaam hangt. Hij is een nachtarbeider. 'Er is niemand wakker. Er is geen afleiding. Onvermijdelijk moet je stoppen met constant je mails te checken, want er komt toch niets binnen.' We staan aan de toog in wat zichzelf een jazzcafé noemt en vangen flarden van een gesprek over de laatste match van de Buffalo's op. Brecht twijfelt tussen een koffie, normaal na een ontbijt, en een pintje, misschien wat zwaarder op de maag. Het wordt een pintje. 'Als je 's nachts werkt, heb je twee opties: werken of uitgaan. Het is de voornaamste reden waarom mijn laatste boek over feestjes gaat. Ik ken te weinig van conversaties in de koffiekamer. Soms denk ik erover mezelf met een of ander vervelend baantje op te zadelen. Al was het maar om eens van een andere werkelijkheid te proeven dan die van het behaagzieke nachtleven. De mensen die ik ontmoet, doen allemaal heel erg hun best om aangenaam te zijn. 's Nachts bestaan er geen ochtendhumeuren. Mensen hebben andere zorgen - opvallen, scoren, erbij horen. In Ergens waar je niet wil zijn is niemand met iets zinnigs bezig. Enkel met populariteit. Zich een plaats zoeken, veroveren en behouden. Het is duidelijk het boek van een twintiger die zich zulke vragen nog stelt.' Hij grinnikt. Al lijkt het een beetje op giechelen. Brecht is de meester van de onhandige dialoog. De man voor wie het gedachtestreepje lijkt uitgevonden. Zijn laatste boek staat er vol van: onafgemaakte zinnen, hinkelende woorden en ernstige monologen die gesmoord worden door een luide scheet. 'De taal en het verhaal liggen nog erg dicht bij mezelf. Er zit veel in het boek dat ik niet zelf heb uitgevonden, want het meeste heb ik wel ergens opgevangen of horen zeggen. Ik beheers het vertellen onvoldoende om er werkelijk absurde zaken in te stoppen. Het zou niet kloppen. Het zou al te grotesk worden. Het is duidelijk dat mijn tekenen verder staat dan mijn capaciteit om te vertellen. Voor dit boek heb ik een hoop vreemde dingen bedacht die ik bijna allemaal heb geschrapt. Ik zag het waarom ervan niet. En er moet wel een waarom zijn, of het wordt belachelijk. Ik vind mezelf nog een te beperkt schrijver. Het voordeel is dat er weinig grootse schrijvers zijn die strips maken, dus met mijn minimum aan kunnen, haal ik toch een zeker niveau. Bij het kiezen van je vergelijkingspunten moet je slim zijn.' Brecht Evens: Het is heel comfortabel te werken met een medium dat niet zo ernstig wordt genomen. Er zijn er die erover zeuren dat 'men' daar niet ernstig over doet. Ik niet. Daar heb ik geldige redenen voor. Strips hebben heel veel last van ondoordachte dingen, van een systeem dat zichzelf steeds herhaalt. Als je even niet met tekstballonnen werkt of geen kaders trekt, ben je al een revolutionair. Ondertussen lijken veel striptekenaars naar iets op zoek. Het is een beweging. Een golf van mensen die iets in hun hoofd hebben en het anders willen. Voor mij is het simpel: ik hoop mensen die na hun kindertijd strips opzij hebben gelegd op te schrikken. Mensen als mijn ouders, mensen als jij. Ze zijn oprecht teleurgesteld in de gewone strip. Ik durf niet te luid te roepen dat ik een man van de 'graphic novel' ben. Daar ben ik nog lang niet, maar ik zie strips wel als kunst. Evens: Niet zoals in onnodig moeilijk doen. Maar wel zoals in het tegenovergestelde van pulp. Met een verhaal en tekeningen iets aparts doen kan kunst zijn. Het kan ook heel begrijpelijk zijn. Verheffend, zelfs. Ik vind dat geen vies woord. Verbazend en verheffend. Meeslepend. Doordacht. En ook heel spontaan. Kunst kan dat allemaal zijn. We moeten vooraf betalen. Ik zeg dat we best betrouwbaar zijn, maar de barman lijkt ons niet te geloven. Wie kruipt er nu in de donkerste hoek van een op zich al duister café als buiten de zon zijn best doet om alle jurken omhoog te jagen? Trompetsolo's en pianocombinaties wriemelen in een jazzy ritme door de boxen. Mijn volgende vraag gaat over het gezin waarin hij is opgegroeid. 'Dat is een makkelijke', glundert Brecht, alsof het een quiz is waarvan hij blij is dat hij minstens één antwoord kent. Hij omschrijft het als een lezend gezin. Een gezin van kennis en van rust. Zijn ouders noemt hij twee mensen die in kamerjas een boek lezen in de armstoel. Hun kamer was het walhalla van de literatuur, met een muur vol boeken waaruit hij als kind vrijelijk kon putten. Hij: 'Ik wil iets lezen.' Zijn vader: 'Aan wat had je gedacht?' Hij: 'Iets lijvigs. Iets als een roman.' Zijn vader zou eens peinzend naar de boekenmuur turen om er dan zorgvuldig een of twee exemplaren uit te schuiven. Salman Rushdie. Harry Mulisch. John Steinbeck. En hij was een kind dat altijd wilde lezen. 'Ik leerde het van mijn zus. Zij was vier jaar ouder en speelde dolgraag schooltje met mij. Ik was de enige leerling in haar klas en kreeg alle aandacht. Dan doe je al eens beter je best.' Hij glimlacht en steekt een sigaret op. 'Het was wel een wat netjes gezin. De invloeden werden zorgvuldig gefilterd. Geen computerspelletjes spelen, enkel openbare omroep kijken, beschaafd Nederlands praten en met de lego spelen. Ik vond het prima. Ik heb me nooit van mijn ouders moeten losscheuren of gigantisch tegen hen in opstand moeten komen. Mijn enige daad van verzet was dan nog een van zwakte: minder beschaafd praten om er op school bij te horen. Mijn ouders zijn daar opgelucht over: 'Oef, nooit grote ruzie.' En toch doe ik gewoon mijn zin.' Tekenen is er zo lang als hij zich herinnert. Tekenen en verhalen verzinnen. 'Ik was nog geen tekenaar, maar ik tekende wel. Onophoudelijk. Op school, in cursussen, op iedere mogelijke snipper papier. Hoe waarheidsgetrouw zo'n tekening was, interesseerde me niet. Ik deed het liever uit mijn hoofd.' Hij kreeg complimenten en schouderklopjes. 'Ik heb me altijd heel bijzonder gevoeld. Tekeningen kan je makkelijk tonen. Muziek moet je demonstreren, maar tekeningen draag je bij je in een map. Je spreidt ze uit en kunt de oh's en de ah's dankbaar in ontvangst nemen.' Evens: Misschien ben ik onderweg wel even een etter geweest. Al denk ik dat ik gewoon te naïef was om een etter te zijn. Ik herinner me op school een jongetje dat me imiteerde. Als ik zei: 'Ik heb een strip van 56 pagina's gemaakt' - toen telde het aantal nog - zei hij: 'Ik een van 57.' 'Wow, 57', dacht ik dan. Of hij kwam naar school met een bijna exacte kopie van een tekening die ik een week voordien had getoond. Als ik al een vermoeden van namaak had, beweerde hij zeer koel: 'Heb ik twee weken geleden gemaakt.' Nu ik erover denk: het was een zeer vreemd jongetje. Heel bleek en breekbaar, een hemofilie-patiënt. Hij woonde in het mooiste huis in Hasselt met een moeder die porseleinen poppen verzamelde. Honderden van die poppen stonden er in dat huis uitgestald. En hij moest daar tussen schrijden, als een soort verbannen prins. Altijd voorzichtig en ingetogen, om vooral niets te breken. Is dit niet wat vreemd om in een interview te vertellen? Evens: Misschien kan ik beter gewoon koffie drinken? Maar hier zijn geen obers. Enkel barmannen en barhangers. En trompetgeluiden die rochelend als verstokte rokers om ons heen schallen. Opnieuw moeten we vooraf betalen. Nog steeds niet betrouwbaar genoeg. Brecht wil even op dat etter-zijn doorgaan. 'Ik ben altijd nogal voorzichtig geweest. 'Van strips tekenen, kun je niet leven', dacht ik en dus zei ik dat ik ingenieur-architect zou worden. Het klonk als iets dat je kon doen en dat je financiële zekerheid gaf. Uiteindelijk blijkt het met die strips dan heel erg vanzelf te gaan.' Evens: Het was vooral een mooi ongelukje. De wedstrijd waarvoor ik een scenario inzond, was zo slecht gecommuniceerd dat niemand ervan wist. Ik was de beste van heel weinig inzendingen. Maar ik was wel ineens een striptekenaar. En trots? Laat ons er het grootste deel van de tijd maar over zwijgen, denk ik nu, al was het voor die leeftijd niet slecht. Ik ga er niet mee zwaaien en zeggen: 'Kijk, dit is wat ik doe.' Het is niet meer wat ik doe. Daar hebben vier jaar kunstschool alles mee te maken. Evens: En waar ik vooral merkte wat een middelmatige en onbekwame tekenaar ik was. Met Goele Dewanckel, Ever Meulen en Gerda Dendooven ligt de lat in Gent bijzonder hoog. Mijn leven als striptekenaar en mijn leven als kunststudent hadden geen raakpunten. Ik toonde op school niet wat ik buiten de school maakte. Ik zat daar vooral te proberen en een beetje aan te modderen. Elke tekening was anders. Ik had totaal geen inzicht. Als ik kritiek kreeg, knikte ik geestdriftig, maar eigenlijk wist ik nooit wat ze bedoelden. Ik besloot wel altijd wat ik aan het maken was als relatief oké te beschouwen, hoewel het achteraf gezien ronduit slecht was. Ik ben brallerig genoeg om mij daar niet te veel van aan te trekken en erop te vertrouwen dat het ooit goed komt. Dat had ook met mijn kleine naschoolse carrière te maken. Het lukte me mijn strips uitgegeven te krijgen. Zo vreselijk onbekwaam kon ik dan toch niet zijn? Het is de veiligheidsgordel van het minimale kunnen. Ik kwel mezelf niet snel met de gedachte: het is niet goed genoeg. Beter is altijd mogelijk, maar als je even te lui bent of er niet geraakt, kun je altijd een trukendoos opentrekken. Al moet uitmuntendheid wel het streefdoel blijven. Evens: Enige arrogantie zal me zeker niet vreemd geweest zijn. Goele was echt opgelucht toen ik naar Barcelona vertrok en zes maanden het land uit was. Ook mij deed die afstand deugd. Ik heb daar intens mijn leven als alleenstaande man - euhm - beleefd. Als je het even vergelijkt met de personages van Robbie - mister popular - en Gert - het kneusje - uit Ergens waar je niet wil zijn, heb ik daar intens de Robbie in mij gevoed. Op school lag de lat grafisch lager. Iedereen was er met strips en kleine boekjes bezig en het gaf me het zelfvertrouwen om voor het eerst mijn strips en mijn schoolwerk te laten samenvloeien. Ik wilde een verhaal schrijven over een onweerstaanbare man die ook sympathiek is. Vlotte kerels vallen nogal snel samen met grote klootzakken. Ik weet niet of dat wel zo is. In het geval van Robbie doen mensen zichzelf van alles aan om bij hem te zijn. In Barcelona heb ik dus aan heel veel vrouwen gevraagd wat een man voor hen onweerstaanbaar maakt: enigszins mysterieus zijn en tegelijk veel mensen kennen deelden de eerste plaats. Evens: In mijn strip toch, ja. Verder was ik er niet zo veel mee. Terugkomen naar Gent met het lumineuze idee om als eindwerk een strip te maken was vooral een confrontatie met het meewarige lachje van Goele als ze mijn tekeningen bekeek. Ik maakte de ene tekening na de andere waarbij ik al tekenend voelde dat ik niet goed wist waarmee ik bezig was. Tegen iedereen had ik het over mijn artistieke crisis. Ik koketteerde er zo'n beetje mee. Heimelijk genoot ik er zelfs van. Vooral omdat ik me verheugde op het grote aha-moment waarop ik het licht zou zien. De ondertussen legendarische woorden van Randall C. hebben de gordijnen geopend: 'Begin eens met een dikke borstel, een ruwe kleurschets en teken daarop verder.' Ik pakte wat rood en blauw, en zette een paar vegen. Ineens had ik een soort compositie die me toeliet te kiezen om hier te detailleren en daar niet. Evens: Ik ben mijn eigen beste therapeut. Dat heb ik voor een stuk van Randall, die zichzelf bijzonder fijnzinnig doorheen zijn eigen denken weet te gidsen. Ik probeer altijd zo constructief mogelijk te denken en mezelf op een aangename plek in mijn hoofd te houden. Emoties zijn voor mij plekken. Het meest vervelende aan iets wat niet goed gaat, is je slecht voelen omdat het niet goed gaat. Ik heb dan nogal snel de reflex mezelf mentaal op te kuisen. Welke operatie moet ik uitvoeren om me beter te voelen? Blijven hangen in tegenslag brengt je nergens. Toen ik bijvoorbeeld zo stom was de enige twintig originelen van Ergens waar je niet wil zijn in een map op een trein in het midden van Nederland te laten liggen, en het duidelijk was dat enkel ik een paar dagen depressief was geweest. Maar even snel bekruipt me de vraag: 'En nu?' Wat doe je om die herinnering minder pijnlijk te maken? Opnieuw beginnen en iets straffers maken. Is dat rationeel? Misschien wel. Wat ook helpt, is mijn eigen behaagzieke kantje. Iedereen is een potentieel toffe mens en zelf word ik zeer graag tof gevonden. En dus huppel ik lief en hartelijk door het leven. Dat is geen façade. Dat is ook niet oneerlijk. Waarom zouden we elkaar niet een beetje behagen? Evens: Ik wil niet cynisch of sarcastisch zijn, en ik wil evenmin stilstaan bij mensen die zich potentieel minderwaardig voelen of die jaloers zijn. Ik sla die negativiteit op in een apart bakje in mijn hersenen. Maar alles wat ik met mijn feelgoodmechanisme zorgvuldig afweer, moet ik toch ergens kwijt en dat is blijkbaar in mijn boeken. Op zo'n abstract niveau zijn sombere gedachten en mensbeelden bijzonder handig. Ze hebben iets ongevaarlijks en vermommen zich snel als humor. Evens: Ik vermoed dat het aan mijn leeftijd ligt. Twintigers worden geconfronteerd met eeuwigdurende vriendschappen die niet zo eeuwigdurend zijn. Op je twaalfde heb je volledige, complete en alles overrompelende vriendschappen. Je bent elkaars gelijken. Er is sprake van een totale harmonie. De enige vraag die gesteld wordt, is: 'Wat zullen we doen?' en niet 'Wat denkt die over mij?' Dat is een typische vraag voor twintigers. Het is evident dat oude vriendschappen een groot potentieel van pijnlijke confrontaties hebben. Plots zijn er verschillen. Men praat het liefst niet te veel over het nu, want in het nu is er geen band meer. Maar opnieuw: ik gebruik het liever in een boek dan dat ik er mijn dag door laat vertroebelen. Evens: Soms merk ik dat ik iets lange tijd vermijd. Een kleur. Of scènes in hard daglicht. Ook die seksscène in Ergens waar je niet wil zijn was in zekere zin taboe. Ik ben geen rock-'n-rolltekenaar die er graag kutten en penissen tegenaan gooit. Seks zonder geslachtsdelen is moeilijk te realiseren, bovendien ging het om geile seks en minder om tedere seks. Ik heb dan de neiging om op de rem te gaan staan, terwijl je net alle registers moet opengooien. Ik heb daar lang naar gezocht. Het moest vettig zijn en toch gevoelig. Ik wilde vlees en beweging. En ik vroeg me vaak af: wat moet ik doen of net niet gedaan hebben om dit nu te tekenen. Evens: (Lacht) Niets bijzonders eigenlijk. Blijven tekenen. Blijven zoeken. En je fantasie gebruiken. Plakkaatverf helpt ook om het hier en daar wat vettiger te maken. Evens: Zoals gezegd: ik ben een fan van constructieve gedachten. Als je niet wil piekeren over de grenzen van je talent, begin je het best gewoon aan iets anders. In de periode voor de publicatie van een boek ben ik nogal vatbaar voor twijfels en onvrede. Dan ga ik heel dringend op zoek naar een project waarin ik alle gemiste kansen zou benutten. Zodra ik het boek dan in handen heb, ebt dat zeer snel weg. Toen ik het eerste gedrukte exemplaar van Ergens waar je niet wil zijn in mijn handen hield, werkte dat heel kalmerend. Het is mijn eerste boek waarmee ik echt durf te zwaaien. De tekortkomingen wegen niet op tegen wat het de moeite maakt. Natuurlijk ben ik gemotiveerd om er een tweede boek naast te hebben, het liefst met een even brede rug en knap design. Ik veronderstel echter dat ik eerst weer een crisisje moet beleven. Vooral mijn verhalen zijn voor verbetering vatbaar. Er zit nogal weinig plot in mijn boek: alles loopt rechtlijnig, volgens een zeer simpel verklaringsmodel. Met Ergens waar je niet wil zijn heb ik op het niveau van tekenen zowat mijn maanlanding beleefd. Het is nog maar de vraag of het me zal lukken om verder te vliegen en telkens iets anders te maken. Ik ben wel een beetje bang dat ik mezelf te veel tevreden ga houden. Ik probeer me in mijn tekenen zeer bewust te zijn van de automatische piloot. Het risico bestaat altijd dat je op je uitgebouwde trukendoos teert. Het fijne is dat ik genoeg word opgepept om iets te maken. Maar eigenlijk wil ik nu vooral genieten van de kortstondige vloed van aandacht die me overspoelt. Mijn behaagzucht wordt dezer dagen uitermate goed gevoed. Het fijne is dat ik dankzij subsidies en een niet te grote voetafdruk kan doen wat ik wil. Ik ben niet vies van subsidies. Ze zijn een perfect legitiem marktcorrigerend mechanisme. Het is complete nonsens te beweren dat als iets goed is het zijn weg wel vindt. Je moet ook de ruimte scheppen om iets goed te laten worden. Ik heb het grote geluk dat ik me met niets anders hoef bezig te houden dan met mijn strips, mijn illustraties, mezelf en mijn lief. Een mens wordt daar bijzonder gelukkig van. We staan buiten en knipperen in het felle licht van de zon. Mijn dag zit er ongeveer op. Hij begint aan de zijne. Vrolijk fluitend. Met de handen in zijn zakken en een sigaret in zijn mond. tekst Tine Hens / Foto's Jurgen Rogiers'Ik zie strips als kunst. Niet zoals in onnodig moeilijk doen, maar wel zoals in het tegenovergestelde van pulp. Verbazend en verheffend. Meeslepend. Doordacht. En ook heel spontaan.' 'Iedereen is een potentieel toffe mens en zelf word ik zeer graag tof gevonden. En dus huppel ik lief en hartelijk door het leven. Dat is geen façade.'