Vrijdag 18/5, 00.05 - Ned 2. Bruno Dumont, FR 2006.
...

Vrijdag 18/5, 00.05 - Ned 2. Bruno Dumont, FR 2006. Van alle Franse cineasten is Bruno Dumont de meest Vlaamse. Kijk naar het statische openingsshot van het in Cannes met de Juryprijs bekroonde Flandres en je waant je zo op een gammele boerderij in de Westhoek. De koppen van sommige van de minimaal acterende amateuracteurs die hij als een rauwe Permeke filmt, hebben zelfs wat weg van de door wind en regen gebeitelde barse Vlaamse knotwilgen. Dumont plant zijn camera dan ook meestal in een vertrouwde omgeving neer: de streek tussen Lille en Dunkerque waar hij is opgegroeid. De filosoof van opleiding gaat voor aardse drama's over het dierlijk instinctieve en destructieve gedrag van de door zijn omgeving geconditioneerde mens, weergegeven in primitieve tableaus. Dat dit radicale en confronterende films als La vie de Jésus, L'humanité of Hors satan oplevert die de critici scheiden in tegenstanders die zijn cinema afkeuren als leeg, vervelend en opgeblazen pretentieus en voorstanders met gepassioneerde lofuitingen: het zij zo. In de kunst verwelkom je toch liever iemand die artistiek hardnekkig zijn eigen ding doet dan iemand die kiest voor gemakzuchtige uniformiteit. In Flanders wisselt Dumont die melancholische, eindeloze landschappen af met Noord-Franse kerktorens en brutale woestijnscènes uit een niet nader bepaalde oorlog. De jonge rekruten zijn eenvoudige plattelandsjongens. De film draait om de stugge boerenknul Demester (Samuel Boidin) en zijn relatie met Barbe (Adélaïde Leroux), een meisje van simpele komaf met wie hij regelmatig mechanisch neukt in een bosje aan de rand van de troosteloze akkers. Dumont filmt hun sombere ontmoetingen rustig en afstandelijk, zonder muziek, als een kille documentarist op een metafysische missie. In die banale realiteit installeert hij langzaam een klimaat van ongemak, pijn, wraak en agressie. Wanneer Demester op een avond in een café ontkent dat hij met Barbe samen is, vrijt ze met een andere jongen. Demester kropt zijn gevoelens op, maar net die jongeman wordt samen met hem door het leger opgeroepen. In die uiterst sober en bijna abstract gefilmde oorlog maken ze afschuwelijke dingen mee, al gedragen ze zich zelf ook als beesten. Van een groepsverkrachting van een vrouwelijke soldaat tot een ontmanning: de kijker blijft niet gespaard van de gruwelijke horror. Omdat Dumont ook de loopgraven in de woestijn filmt, legt hij symbolisch de link met het oorlogsverleden van de frontstreek in Frans-Vlaanderen. Zo drukt hij je in dit uitgepuurde existentiële drama mentaal en fysiek met de neus in de concrete realiteit van de verpletterend stille en lege landschappen. Zo wil hij je zonder opsmuk laten voelen hoe in die nooit moraliserende natuur het menselijke gedrag tot zijn meest primitieve instincten wordt teruggebracht. LUC JORIS