Eigenlijk heette hij Roscoe Conkling Arbuckle, maar in het tijdperk van de stille film was een bijnaam gauw gegeven. Het werd dus Fatty. En het moet gezegd: Fatty Arbuckle zat goed in het vlees. Al bij de geboorte was hij zo zwaar - zes kilo, droog aan de haak - dat zijn moeder er blijvende gezondheidsproblemen aan overhield. Kwaaltjes die twaalf jaar later tot haar dood zouden leiden. Zijn vader, die hem nooit heeft willen erkennen, liet zijn twaalfjarige telg van de ene dag op de andere vallen als een baksteen - zij het dan een wat groot uitgevallen baksteen.
...

Eigenlijk heette hij Roscoe Conkling Arbuckle, maar in het tijdperk van de stille film was een bijnaam gauw gegeven. Het werd dus Fatty. En het moet gezegd: Fatty Arbuckle zat goed in het vlees. Al bij de geboorte was hij zo zwaar - zes kilo, droog aan de haak - dat zijn moeder er blijvende gezondheidsproblemen aan overhield. Kwaaltjes die twaalf jaar later tot haar dood zouden leiden. Zijn vader, die hem nooit heeft willen erkennen, liet zijn twaalfjarige telg van de ene dag op de andere vallen als een baksteen - zij het dan een wat groot uitgevallen baksteen. Zo kwam het dat Fatty aan het begin van de twintigste eeuw geheel en al op zichzelf was aangewezen. De puber kwam eerst aan de bak als zanger in de variétéclubs van San Francisco, maar via het vaudevilletheater belandde hij in 1909 in Hollywood. De stille film had er meteen een markante slapstickfiguur bij: met zijn guitige gezicht en zijn corpulente, maar verrassend lenige lijf bleek hij uitermate geschikt voor het komische werk. Hoewel sommige van zijn filmcontracten stipuleerden dat hij een minimumgewicht van 115 kilo diende aan te houden en hij voor elke extra 25 kilo met een bonus werd beloond, heeft Arbuckle zijn zwaarlijvigheid nooit komisch uitgebuit. In tegenstelling tot pakweg Oliver Hardy - de obese helft van Laurel & Hardy - zag je Fatty Arbuckle nooit met een te krappe zetel aan z'n derrière door het beeld banjeren en kwam hij met z'n omvangrijke beer belly nooit in een smalle deuropening vast te zitten. Daarvoor was de geboren komiek te eigenwijs en - vooral - te veel op zijn onafhankelijkheid gesteld. Arbuckle verwierf als een van de weinige acteurs in Hollywood volledige controle over zijn films, was de eerste acteur die meer dan één miljoen dollar per jaar verdiende en bleef intussen ook alert genoeg om nieuwe talenten als Buster Keaton te ontdekken én rijzende sterren als Charlie Chaplin te begeleiden. Maar aan die steile opgang kwam bruusk een einde op 5 september 1921. Die avond boekte hij met een paar vrienden drie kamers in het St. Francis Hotel in San Francisco voor een geïmproviseerde party met enkele jonge actrices en modellen. Toen een van de starlets onwel werd en enkele dagen later in het ziekenhuis overleed, wees een vriendin van het onfortuinlijke meisje met een beschul-digende vinger naar Arbuckle: hij zou haar hebben verkracht en zodanig toegetakeld dat ze eraan bezweken was. Al snel werd duidelijk dat Arbuckle het slachtoffer was van een malafide fantaste en een beschadigingsoperatie in de media. Na twee onbesliste procedures werd hij in een derde rechtszaak vrijgesproken voor doodslag en kreeg hij zelfs een excuusbrief van de jury. Maar de échte schade - de imagoschade - was onherroepelijk: zijn films werden in de ban geslagen en Arbuckle zou als regisseur enkel nog aan kortfilms toekomen, onder een pseudoniem dan nog. Op 28 juni 1933 leek het tij gekeerd en tekende hij bij Warner Brothers een contract voor zijn eerste langspeelfilm na de affaire. Diezelfde nacht nog stierf Fatty Arbuckle in zijn slaap. VINCENT BYLOO