Richard Brody, Faber and Faber, 702 blz.

Zijn de films van nouvelle-vagueboegbeeld Jean-Luc Godard dan nog niet kapotgeanalyseerd? Blijkbaar niet, moet je constateren terwijl je je een weg baant door de zevenhonderd pagina's van Richard Brody's uitermate informatief werkstuk.

Brody, de meest cinefiele onder de vaste filmmedewerkers van The New Yorker, slaagt er warempel in om nieuwe inzichten te verschaffen over films die al heel wat inkt deden vloeien. Bovenal weet hij de complexiteit van Godards oeuvre glashelder te ontleden, zonder het jargon dat doorgaans soortgelijke studies verpest.

Anders dan vaak wordt beweerd door mensen die nog nooit goed naar een film van Godard hebben gekeken, maakt de regisseur van A Bout de souffle (1960) en Pierrot le fou (1965) geen moeilijke films. Wel maakt hij 'andere' films, prenten die niet op de klassieke manier een verhaal vertellen, maar het filmische equivalent zijn van een essay. En dat betekent dat ze vaak meer met journalistiek dan met dramatiek te maken hebben, speels goochelen met allerlei referenties en gefragmenteerde beelden, gebruikmaken van jumpcuts en collagetechnieken en de essentie van het medium (namelijk, het vermogen om door de juxtapositie van beeld en geluid emoties en ideeën op te roepen) brutaal op het voorplan hijsen. Brody beschrijft briljant de esthetische en technische revolutie die Godard ontketende, zonder de socio-politieke context te verwaarlozen. Zijn films hebben immers als weinig andere maatschappelijke trends en omwentelingen voorspeld of becommentarieerd, zoals La Chinoise (1967), dat de meirevolte aankondigde of Deux ou trois choses que je sais d'elle (1967), dat met klinische precisie de link tussen prostitutie en consumptiedrang legde.

De begintitel van het boek, Everything is Cinema, geeft al de essentie weg van het leven en werk van Godard, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dat komt het sterkst tot uiting in de baanbrekende klassiekers uit de jaren zestig, die het tumultueuze huwelijk van de regisseur met zijn eerste muze Anna Karina weerspiegelen. Minutieus beschrijft Brody hoe Godard de scenario's kneedde, de amoureuze intriges naar zijn hand zette, de geïmproviseerde scènes manipuleerde en zijn tegenstrijdige gevoelens aangaande zijn spaaklopende huwelijk in de beelden stak, waarbij romantische desillusie geleidelijk plaats ruimde voor vileine rancune. Brody schrikt zeker niet terug voor de kleine kanten van Godard, maar ze maken er de films niet minder groot om.

Patrick Duynslaegher