Wijsheid komt met de jaren, verzamelalbums ook. Lou Reed heeft zestien onvervalste meesterwerkjes samengeperst onder de noemer ‘Greatest Hits’, en blikt terug op veertig jaar klassiekers. ‘Sommige dingen begrijp ik nu beter, omdat ik afstand heb kunnen nemen.’ Door Wouter Van Driessche

Van ‘smeerlap’ over ‘klootzak’ tot ‘rotvent’ en ‘eikel’: als iemand aanspraak maakt op de eretitel van Meest Beschimpte Artiest Aller Tijden, dan is het wel Lou Reed. De voorbije decennia leidden interviews met de nukkige New Yorker steevast tot scheldproza. Zelfs devote fans hielden trauma’s over aan zijn norse stiltes, ja/neen-antwoorden, sarcastische opmerkingen en fysieke bedreigingen – het motto ‘ never meet your heroes‘, zo werd gefluisterd, was speciaal voor hem uitgevonden.

De jongste jaren bereikten ons gelukkig ook andere verhalen over Lou Reed. Na een forse drank- en heroïneverslaving vond hij met wat hulp van een tai-ji-leraar innerlijke rust, en met ouder worden verzoende hij zich ook met zijn eigen oeuvre. De paus van de New Yorkse underground, die jarenlang weigerde om over zijn verleden te spreken, speelde tijdens concerten plots opnieuw nummers van The Velvet Underground, en trok met zijn back catalogue de studio in om een en ander te remasteren voor een trits Greatest Hits-compilaties. Vorig jaar was er de dubbele verzamelaar NYC Man, eerder dit jaar het live carrièreoverzicht Animal Serenade en sinds enkele weken staan I’m Waiting For The Man, Pale Blue Eyes, Satellite Of Love, Walk On The Wild Side en Berlin samen op één enkel schijfje.

Toch zijn we er niet helemaal gerust in als we Lou Reed aan de vooravond van Marktrock een kwartiertje te spreken krijgen in een Brussels hotel. Onlangs hakte hij nog een journalist van The Guardian in de pan, en in de Asshole Of The Month-editorial op zijn website maakte hij zich enkele maanden geleden nog vrolijk over een paar collega’s die ‘pseudo-Engels’ spraken en de verkeerde vragen stelden. (‘ It’s a very good thing to have a sense of humor when you’re hawking your wares through the press.‘) Heel even lijkt het ook fout te lopen wanneer hij aan het begin van het interview geïrriteerd raakt over het geluid van de minibar, maar gelukkig herinneren we ons tijdig dat aanval de beste verdediging is, en blijkt de 62-jarige brompot in een opperbest humeur.

Gevoelige oren?

Lou Reed: Zwijg stil! ( lacht) Als muzikant kon ik me geen betere wensen, maar in het dagelijkse leven zijn ze vaak een echte vloek. Airco’s, computers, radio’s, televisies, ijskasten… Overal staat wel iéts te zoemen dat me verschrikkelijk op de zenuwen werkt. It’s a burden, een vreselijke last.

Beethoven componeerde anders toen hij doof werd. Speelt jouw gehoor je bij het songschrijven soms parten?

Reed:Funny you should bring that up. Ik las onlangs dat Van Gogh een oogafwijking had, en toen stelde ik me net dezelfde vraag. Had ik dezelfde muziek gemaakt als ik minder goede oren had gehad? Of wat als ik blind was geweest, zoals Ray Charles? Dat soort gedachten leidt natuurlijk nergens naar, maar ik vind ze wel ongelooflijk fascinerend.

Stevie Wonder zei op Ray Charles’ begrafenis dat je aan zijn muziek niets van zijn blindheid kon horen.

Reed: Ik kan daar moeilijk over oordelen, maar ik geloof het best. Met zijn talent had hij wellicht eender welke handicap kunnen overwinnen. Een paar dagen na zijn dood zat ik op het vliegtuig, en toen passeerde zomaar out of the blue What I Say op mijn iPod. Ik had het al in eeuwen niet meer gehoord, maar na een paar seconden zat ik te huilen als een kind. Zó mooi, zó intens, zó krachtig. Devastating.

Je zei ooit: ‘Muzikanten mogen niet naar hun oude stuff luisteren, anders veranderen ze in zelfvoldane en nostalgische idioten.’ Ben je door ‘NYC Man’ van idee veranderd?

Reed: Het was misschien wat scherp gesteld, maar au fond sta ik er nog altijd achter. Ik heb er altijd naar gestreefd om mezelf te verbeteren, en daar ben ik op NYC Man ook in geslaagd. Het is veel meer dan zomaar een dubbel-cd vol hitjes. Ik kreeg van mijn platenfirma de volledige inspraak, en door de remastering kon ik eindelijk ook een aantal dingen corrigeren die me al járen dwars zaten.

Voor een perfectionist als jij moet dat een godsgeschenk geweest zijn.

Reed: Je hebt geen idéé. Die sessies waren gewoonweg geweldig. Met computers zijn veel aanpassingen ook kinderspel geworden. Piano te stil? Swoosh, opgelost. Stereo onzuiver? Zoom, weggewerkt. Sommige mensen noemen dat techniek, ik vind het pure magie.

Nooit in de verleiding gekomen om bepaalde lyrics weg te zoomen?

Reed:Hell no, helemaal niet. Mijn teksten zijn eerlijk en komen recht uit het hart. Wat zou ik erin gaan schrappen? Herinneringen wis je toch ook niet zomaar uit je geheugen? Ik merk wél dat veel songs de voorbije jaren een andere betekenis hebben gekregen. Sommige dingen begrijp ik nu ook beter, omdat ik er wat afstand van heb kunnen nemen.

In de dvd-docu over ‘Transformer’ zeg je: ‘Het heeft me jaren gekost om te beseffen dat ‘Satellite of Love’ over jaloezie gaat. En dan nóg kan ik me vergissen.’

Reed: Dat is ook zo. Als ik mijn teksten schrijf, heb ik niet het minste idee waarover ze gaan. Ik moet ze live spelen om daarachter te komen, en vaak moet ik mijn mening achteraf toch nog herzien. Ergens is dat ook logisch. Je wordt ouder, je doet nieuwe ervaringen op, je gaat dingen anders bekijken, en zo haal je weer andere dingen uit je songs. Vergelijk het met boeken. Wie op z’n zestigste zijn lievelingsroman herleest, zal waarschijnlijk andere passages aankruisen dan toen hij het op z’n twintigste voor het eerst las.

Op je setlists staan steeds vaker vergeten parels, zoals ‘Jesus’ van The Velvet Underground. Waarom?

Reed: Meestal pieker ik héél lang over setlists, maar Jesus is er min of meer per toeval weer ingesukkeld. Een paar maanden geleden speelde ik een benefietconcert voor de Verenigde Naties, samen met de Blind Boys Of Alabama (legendarisch ensemble van oude blinde gospelmuzikanten; nvdr). Zij stelden voor om samen Jesus te brengen, en dat was zo’n geweldige ervaring dat ik er op slag opnieuw verliefd op werd. Tijdens de tournee voor NYC Man had ik al gemerkt dat het de moeite loonde om oude songs met andere arrangementen te spelen: Men Of Good Fortune, Venus In Furs, Street Hassle… Voor het publiek was het telkens een verrassing, en ook voor ons leken de songs weer nieuw. Plus: met ouder worden neemt de weerstand tegen het verleden automatisch af.

Ik moest wel glimlachen toen ik je zag opduiken in Martin Scorsese’s docu over de blues. Begon The Velvet Underground niet als reactie tegen groepjes die blueslicks speelden?

Reed: Het had wel iets ironisch, ja. We hadden zelfs een soort boetesysteem: wie een riff speelde die ook maar een beetje naar blues rook, moest afdokken. (lacht) Maar je moet dat in z’n tijd zien. Iederéén speelde toen dezelfde clichés en dus redeneerden wij gewoon: let’s do anything bút that. Niet dat we tegendraads wilden zijn, we hadden gewoon geen zin om klakkeloos dingen na te spelen die we op elke straathoek hoorden.

Voor je ‘Greatest Hits’-album liet je twee van je nummers remixen…

Reed: Ik ben echt blij dat die op de plaat geraakt zijn. Ik had ze al een hele tijd liggen, en ik heb de platenfirma gesméékt om ze te mogen uitbrengen. Je weet hoe dat gaat, hé: de muzikant is meestal de laatste naar wie ze luisteren.

Maar wat ik je wou vragen: heb je voeling met wat er thans leeft in de clubs?

Reed: Natuurlijk! De muziek en de mode zijn wel veranderd, maar in wezen verschilt het niet zo veel van tien, twintig of dertig jaar geleden. It’s all still there. Waar ik wel telkens van sta te kijken, zijn de geluidsinstallaties. Als je die vergelijkt met de troep die ze voor rockconcerten gebruiken! Onlangs speelde ik een benefietconcert voor homohuwelijken in een club in Chelsea. De sound was loepzuiver, de perfectie nabij. Achteraf kon ik wel huilen van frustratie. They’re so far ahead it just ain’t funny anymore.

Van homohuwelijken en frustratie gesproken: in het artiestenprotest tegen George Bush zijn Neil Young, Bob Dylan en jij opvallend afwezig.

Reed: Ik draag op mijn eigen manier mijn steentje bij. Het ligt niet in mijn aard om mensen te zeggen voor welke kandidaat ze moeten stemmen: dat moet iedereen maar voor zichzelf uitmaken. Dan steun ik liever organisaties waar ik achter sta, door benefietconcerten te spelen. Sommige discussies kan je ook beter aan mensen overlaten die er echt mee bezig zijn. Over het homohuwelijk kunnen we het à la limite nog redelijk snel met elkaar eens raken: mensen die van elkaar houden verbieden om te trouwen, is barbaars. Maar wat doe je met een dossier als de wapenwetgeving? Daar zijn de zaken al een pak complexer, hé?

Speelde jij onlangs geen benefiet- concert tegen wapens?

Reed: Niet tégen wapens, maar vóór een groep advocaten die ijvert voor een strengere wetgeving. Een kleine nuance, maar ik vind het wel een belangrijke. Wat mij betreft wordt wapenbezit meteen verboden, maar wat bereik je met zo’n standpunt als iedereen zomaar een AK-47 mag kopen? Niets, toch? Dan zamel je beter geld in voor mensen die effectief druk kunnen uitoefenen om dingen te veranderen.

David Fricke van ‘Rolling Stone’ zei onlangs: ‘Het beste aan Lou Reed is dat hij niet opvoedt. Hij vertelt niet wat goed of slecht is, alleen wát er is.’

Reed: Ik ben een liberaal: ik heb nog nooit iemand verteld wat hij moest doen of laten. ( Denkt na) Misschien zondig ik daar nu wel tegen door bepaalde organisaties te steunen, maar nood breekt wet. George Bush has driven this home to me. Als we niets ondernemen, riskeren we dat hij binnenkort herverkozen wordt, en dat is een van de meest schrikwekkende dingen die ik me kan inbeelden. He could get us all killed.

De nummers op ‘NYC Man’ omvatten een periode van veertig jaar. Wat vond jij de belangrijkste trend?

Reed: Voor mij is er weinig of niets veranderd: ik heb van in het begin geprobeerd om authentieke en eerlijke muziek te maken, en dat doe ik nog steeds. De muziek in het algemeen is wel enorm geëvolueerd, zeker sinds de komst van de computer. Dingen die twintig jaar geleden onmogelijk waren, zijn nu een fluitje van een cent. Alles is ook toegankelijker geworden. Vroeger groeide je op met een paar platen, nu vind je elke denkbare song op internet. Sterker: wie er een beetje mee overweg kan, maakt zó zijn eigen remixes.

Doet die wonderbaarlijke vermenigvuldiging je nooit aan Warhol denken? Ook hij maakte remixes van zijn eigen kunstwerken, en bewees dat in iederéén een artiest schuilt.

Reed:Interesting point, maar geloof vooral niet dat iedereen Warhol had kunnen zijn. Hoe belangrijk hij ook geweest is voor de democratisering van de kunst, zélf stond hij mijlenver boven iedereen. Hij was een genie – niemand kwam zelfs maar in de búúrt van zijn creativiteit. Ik word nog steeds kwaad om het onrecht dat hem is aangedaan. Nu hij onschadelijk is, noemt iedereen hem een verlichte geest, maar indertijd zeiden ze de gruwelijkste dingen. Every single day, they would absolutely rip him apart.

Daar kan jij intussen wellicht over meespreken.

Reed: Ho maar, ik vind mezelf verre van geniaal, hoor. En ik heb ook niet de indruk dat andere mensen me zo bekijken. Enkel mijn hond, misschien, in ’t diepst van zijn gedachten. ‘ Hey, genius, can you give me some food now? Hey genius, will you walk me, and pick it up when I’m done?‘ ( lacht)

Wouter Van Driessche

‘Computers zijn een zegen. Piano te stil? Swoosh, opgelost. Stereo onzuiver? Zoom, weggewerkt. Ik vind het pure magie.’

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content