Los Angeles, 5 november 2008. Amerika heeft een zwarte tot president verkozen, maar in Californië en nog een paar andere staten wordt wel Propositon 8 goedgekeurd, een amendement dat het homohuwelijk verbiedt. Op weg naar de persvisie van Milk zitten journalisten uit alle werelddelen vast in een verkeerschaos veroorzaakt door verontwaardigde holebibetogers en hun sympathisanten. Qua timing kan het tellen: in de film voert Harvey Milk, toen gemeenteraadslid in San Francisco immers campagne tegen Proposition 6, een wetvoorstel dat het mogelijk maakt om homoseksuele staatsambtenaren wegens hun geaardheid op straat te zetten. 'Is er dan niets veranderd?', moet zowat de vaakst gestelde vraag zijn aan regisseur Gus Van Sant, zelf uit de kast sinds begin jaren 80 en auteur van een rijkelijk gevarieerd oeuvre bevolkt door disfunctionele helden als junkies in Drugstore Cowboy (1989), mannelijke straathoertjes in My Own Private Idaho (1991), een psychopatische weervrouw in To Die For (1995) en een getroebleerd genie in Good Will Hunting (1997), zijn meest succesvolle film en goed voor een Oscarnominatie. In vergelijking met zijn experimentele Death-trilogy - bestaande uit Gerry (2002), Elephant (2003) en Last Days (2005) - is Milk een vitale en klassiek gestructureerde biografie, wars van enige hagiografische sentimentaliteit. 'Hij zou nog geen bagel aan een uitgehongerde kunnen slijten', omschreef een journalist van de Sunday Times Van Sant. Enigszins overdreven en toch. Onopvallend, bescheiden, stil en wat aarzelend sprekend heeft de man niets van een activist, al staat zijn engagement buiten kijf.
...