Zondag 19/6, 22.45 - Canvas
...

Zondag 19/6, 22.45 - Canvas In 1998 tekende Peter Biskind met Easy Riders, Raging Bulls een saillant beeld van de Amerikaanse auteurscinema van de late jaren 60 tot begin jaren 80 - of van Bonnie and Clyde (1967) en Easy Rider (1969) tot Raging Bull (1980) en Heaven's Gate (1980). Het spraakmakende boek zit tjokvol sappige anekdotes en verhalen. Zie het als een brok Amerikaanse filmgeschiedenis in thrillervorm, zij het van het tabloidniveau, want Biskind schuwt schandalen noch sensatie. Een verfilming van zo'n overzicht lijkt hoogstens een leuke illustratie te kunnen worden, en meer hoef je van Kenneth Bowsers gelijknamige documentaire niet te verwachten. Bowser behoudt de essentie van Biskinds roman en vermijdt de schandaalsfeer. Zo schetst hij een overzichtelijk beeld vol fragmenten, en archiefbeelden van de rebelse regis- seurs die Hollywood radicaal van koers deden wijzigen en er zich gedurende een decennium als heer en meester gedroegen. Laat het meteen duidelijk zijn dat de beschrijving van de zogenaamde ' Golden age of American cinema' uit het boek en de docu ver van volledig is. Zowel Biskind als Bowser verzwijgt regisseurs als Stanley Kubrick, Sidney Lumet, John Frankenheimer, Clint Eastwood, Woody Allen, John Huston en Robert Aldrich. In Easy Riders, Raging Bulls gaat het uitsluitend over de generatie van Arthur Penn, Martin Scorsese, Robert Altman, Sam Peckinpah, Dennis Hopper, Francis Ford Coppola, Steven Spielberg et les autres. Misschien dient daarbij nog een bedenking te worden gemaakt: nam de periode van de Amerikaanse auteursfilm dan een einde in 1980? Niet dus. De strijd tussen persoonlijke visie en commercie heeft steeds bestaan in de Amerikaanse filmgeschiedenis en is er vandaag de dag nog altijd. Denk maar even aan de films van Sofia Coppola, Paul Thomas Anderson, Hal Hartley, Todd Solondz of zelfs Quentin Tarantino: die volgen evenmin het geijkte pad van het studiosysteem. Wat er ook van zij: de periode 1967-1980 bracht wel degelijk een revolutie teweeg in het verstarde studiosysteem. Anno 1963 verkeerde Hollywood in een crisis. Het bioscoopbezoek zakte naar een dieptepunt, de televisie werd een grote concurrent en de band met het jonge publiek was zoek. De afwezigheid van een scheidingslijn tussen goed en kwaad uit Bonnie and Clyde en de controverse van Easy Rider brachten daar verandering in. De studiobonzen van weleer begrepen er niets van - temeer omdat Easy Rider met een productiekost van 501.000 dollar in de VS alleen al 19,1 miljoen dollar opbracht. De deuren van Hollywood waaiden definitief open voor de jonge wolven die zichzelf als 'auteurs' opwierpen na de ongeziene successen van Peter Bogdanovich' The Last Picture Show (1971), Coppola's The Godfather (1972), William Friedkins The Exorcist (1973) en George Lucas' American Graffiti (1973). Nog nooit was er in Hollywood zo snel zo veel poen verdiend. Eén film zou het tij definitief keren: Jaws (1975) van Spielberg, die het tijdperk van de blockbusters inluidde. Hollywood had de megalomane en onhandelbare ego's -die zich te buiten gingen aan seks, drank en drugs - niet meer nodig. Zowel Friedkin als Bogdanovich en Coppola kenden flops, maar Cimino's Heaven's Gate - met een kost van 44 miljoen dollar en een opbrengst van 3 miljoen dollar - sleurde de studio United Artists het faillissement in. Voor Hollywood was dat het teken om de 'auteur' onherroepelijk voor de 'manager' in te ruilen. PIET GOETHALS