Het idee kon alleen maar uit de koker van een Amerikaan komen: een openluchtcinema waar je gewoon binnen kunt rijden en een film bekijken zonder je luie krent uit je autozetel te moeten hijsen. De Amerikaan in kwestie heette Richard M. Hollingshead Jr. en de geniale ingeving deed zich aan hem voor in 1932. De praktische uitwerking bleek echter nog een ander paar mouwen. Zo kwam het dat de chemicaliënfabrikant uit Camden, New Jersey, een groot deel van dat jaar in zijn tuin doorbracht, druk experimenterend. Aanvankelijk nagelde hij een laken tussen enkele bomen bij wijze van scherm, en monteerde hij op het dak van zijn auto een Kodakprojector. Een radio achter het doek fungeerde als geluidssysteem. Vervolgens onderzocht hij de zichtbaarheid bij verschillende weers-omstandigheden. Zo gebruikte hij zijn tuinsproeierom een regenstorm te simuleren. De meeste tijd kroop echter in het uitstippelen van de juiste parkeerposities zodat het scherm vanuit elke auto zichtbaar was.
...

Het idee kon alleen maar uit de koker van een Amerikaan komen: een openluchtcinema waar je gewoon binnen kunt rijden en een film bekijken zonder je luie krent uit je autozetel te moeten hijsen. De Amerikaan in kwestie heette Richard M. Hollingshead Jr. en de geniale ingeving deed zich aan hem voor in 1932. De praktische uitwerking bleek echter nog een ander paar mouwen. Zo kwam het dat de chemicaliënfabrikant uit Camden, New Jersey, een groot deel van dat jaar in zijn tuin doorbracht, druk experimenterend. Aanvankelijk nagelde hij een laken tussen enkele bomen bij wijze van scherm, en monteerde hij op het dak van zijn auto een Kodakprojector. Een radio achter het doek fungeerde als geluidssysteem. Vervolgens onderzocht hij de zichtbaarheid bij verschillende weers-omstandigheden. Zo gebruikte hij zijn tuinsproeierom een regenstorm te simuleren. De meeste tijd kroop echter in het uitstippelen van de juiste parkeerposities zodat het scherm vanuit elke auto zichtbaar was. Op 6 augustus 1932 nam Hollingshead een patent op zijn uitvinding en een klein jaar later, op 11 juni 1933, ging zijn eerste officiële drive-inbioscoop open. De reclameslogan 'The whole family is welcome, regardless of how noisy the children are' sprak de gemiddelde Amerikaan onmiddellijk aan. Joe Shmoe was sowieso al vergroeid met zijn auto en nu kon hij ook nog naar de film zonder babysit te moeten regelen. Nieuwe drive-ins schoten dan ook als paddenstoelen uit de grond. Tegen 1942 telde de VS er een honderdtal. De oorlogsjaren met hun rantsoenering van zowel benzine als rubberen autobanden zorgden voor een dipje, maar vanaf 1946 ging het weer crescendo dankzij onder meer de babyboom, het snoepaanbod en het nieuwe geluidssysteem met kleine individuele speakers die je aan het raam van je wagen kon bevestigen. Tegen 1948 waren er maar liefst 820 drive-inbioscopen in Amerika. In de jaren 50 groeide de drive-inbioscoop uit tot een deel van het Amerikaanse culturele erfgoed. De cinema's namen niet alleen toe in aantal - in 1958 haalde men net de kaap van de 4000 niet - maar dankzij de florissante autoverkoop ook in omvang: in Lufkin (Texas) en Detroit (Michigan) waren er drive-ins waar maar liefst 3000 wagens tegelijk konden parkeren. Niet alleen gezinnen maar ook verliefde stelletjes begonnen de drive-in als ideale vrijetijdsstek te zien - er kon immers naar hartenlust gefriemeld worden in de privacy van je eigen auto. Er stond geen maat op de inventiviteit van de exploitanten om hun winst te maximaliseren. Naast crèches voorzagen sommigen ook in heuse minipretparken met boottochten, paardritjes en modeltreinwedstrijden, of hielden ze talentenjachten en dierenshows op hun terreinen. Het gebeurde zelfs dat je een partijtje minigolf kon spelen voor de vertoning. Ook op culinair gebied werd het publiek steeds meer verwend. De 'concession stand' met ijs, snoep en frisdrank werd geüpgraded tot een heus restaurant waar fried chicken, gebarbecuede worsten en sappige hamburgers op het menu stonden. In sommige drive-ins kon je al dat lekkers gewoon vanuit je auto bestellen, waarop het door je raampje werd geschoven door een vriendelijke car hop of drive-inserveerster. In de sixties zette het drive-infenomeen zijn verovering van de wereld verder in onder meer Australië, Groot-Brittannië en Denemarken, maar de Amerikaanse hoogdagen leken voorbij. De 'privacyfactor', die voordien als een pluspunt van de drive-inervaring gold, werd door de goegemeente verketterd als immoreel. Kranten bestempelden de openluchtcinema's als passion pits - seksholen - waar elke tiener heenging in de hoop zijn onschuld te verliezen. Die aangebrande reputatie duwde de programmatie weg van de mainstream. Stilletjesaan muteerde het primaire aanbod van brave familiefilms naar de subversieve exploitation flicks. In de jaren 50 had men het wel eens aangedurfd om pseudoporno met veelzeggende titels als Guilty Parents, How to Take a Bath en The Burning Question op het programma te zetten, maar in de daaropvolgende decennia werden goedkoop geproduceerde B-films eerder regel dan uitzondering. Vooral de gewelddadige bikeravonturen, 'horror quickies' en 'beach party'-prenten van het door Roger Corman, Samuel Z. Arkoff en James H. Nicholson gerunde American International Pictures lokten massa's volk. Deze films zouden overigens hun stempel drukken op het werk van regisseurs als John Carpenter en Quentin Taran-tino. De dalende bezoekcijfers deden de exploitanten op zoek gaan naar nieuwe technologische ontwikkelingen. Begin jaren 70 moesten de kwetsbare monoluidsprekertjes plaatsmaken voor een stereosignaal dat elke autoradio kon ontvangen. En enkele jaren later doken er heuse drive-inmultiplexen op. Op sommige plekken kon je kiezen uit maar liefst 13 schermen. Maar ondanks al die revolutionaire snufjes leek het drive-infenomeen ten dode opgeschreven. De eighties werden gekenmerkt door het succes van de kabeltelevisie en de videorecorder. De 'car culture' had zijn beste tijd gehad. Het gebrek aan degelijke gezinsfilms was acuut. En het comfort van de gloednieuwe indoormultiplexen viel niet te evenaren. De finale messteek werd toegebracht door de onhoudbare verstedelijking. De dorre lappen grond waarop de openluchtbioscopen destijds waren neergezet, gingen plots voor astronomische bedragen van de hand. In de jaren 90 daalde het aantal Amerikaanse drive-inbioscopen tot 900. De overblijvende exemplaren moesten het vooral hebben van nostalgie. Om te kunnen overleven organiseerden de uitbaters overdag dikwijls vlooienmarkten op hun terrein. Sommigen boden hun grond zelfs aan als opslagplaats voor derden. Heden ten dage zijn er nog een 400-tal drive-ins in de VS. Toch blijft het fenomeen onlosmakelijk verbonden met het Amerikaanse DNA. Getuige daarvan is het succes van de 'guerrilla drive-in movement', een organisatie die online clandestiene filmvertoningen organiseert. Gezinnen en koppeltjes kunnen op die manier hun favoriete flicks geprojecteerd zien op brugpijlers of pakhuismuren. Want zoals de Beach Boys in 1964 reeds zongen: 'Everytime I have a date there's only one place to go / That's to the drive-in'. Door Steven Tuffin