Stellen dat Don Siegel (1912-1991) Tinseltown door de grote poort binnenwandelde is de waarheid Dirty Harry-gewijs geweld aandoen. Daarvoor was Siegel in het begin van zijn carrière, in de jaren veertig en vijftig, iets te vaak met zijn loonstrookje begaan. Maar zelfs al maakte hij in die periode hoofdzakelijk onpersoonlijke B-films. Sommige daarvan -zoals de sf-klassieker Invasion of the Body Snatchers (1956) en de gangsterbiopic Baby Face Nelson (1957) - wisten hun tijd, budget en script makkelijk te ontstijgen, met hun brutale direct...

Stellen dat Don Siegel (1912-1991) Tinseltown door de grote poort binnenwandelde is de waarheid Dirty Harry-gewijs geweld aandoen. Daarvoor was Siegel in het begin van zijn carrière, in de jaren veertig en vijftig, iets te vaak met zijn loonstrookje begaan. Maar zelfs al maakte hij in die periode hoofdzakelijk onpersoonlijke B-films. Sommige daarvan -zoals de sf-klassieker Invasion of the Body Snatchers (1956) en de gangsterbiopic Baby Face Nelson (1957) - wisten hun tijd, budget en script makkelijk te ontstijgen, met hun brutale directheid en diabolische amusementswaarde. Siegel, in Chicago geboren en opgeleid in Cambridge, kreeg zijn eerste klus in de branche aangeboden door Hal Wallis en werkte eerst als archivaris in de filmbibliotheek van Warner Brothers, vervolgens als monteur en nog later als second-unit director. In 1945 regisseerde hij twee kortfilms voor Warner - A Star in the Night en Hitler Lives? - die allebei met een Oscar werden bekroond, wat hem na jaren van knip- en plakwerk achter de schermen eindelijk lanceerde als filmregisseur. Hoewel zijn debuut - de film noir The Verdict (1946) - meteen een talent in de dop deed vermoeden, was het wachten tot het gevangenisdrama Riot in Cell Block 11 (1954) vooraleer Siegel een eerste keer inzoomde op kranige outsiders en maatschappijkritische onderstromen - thema's die zijn beste werk steevast zouden kenmerken. Een van de eersten om Siegel daarom van vakman tot cultauteur te promoveren was de jonge François Truffaut, die hem met zijn grimmige realisme en energieke stijl beschouwde als een van de wegbereiders van wat eind jaren zestig New Hollywood zou worden gedoopt. Toch bleef de erkenning in eigen land lange tijd achterwege, zelfs al draaide Siegel ook de Elvis-western Flaming Star (1960) en de gangsterthriller The Killers (1964). Pas toen hij Clint Eastwood voor zijn camera haalde als diens archetypische, mannelijke antiheld kwam daar verandering in. Het was het startschot voor een vruchtbare samenwerking die vijf topfilms zou opleveren. De meest iconische daarvan is zonder twijfel Dirty Harry (1971): een rauwe, opwindende politiethriller met Eastwood in de rol van foute, fascistoïde flik, maar tegelijk een sfeervolle en emotioneel doorbloede tijdskroniek over de uitwassen van de permissieve samenleving. Geen wonder dat er om Siegel, van wie Clint de regiestiel leerde en wiens directe, no-nonsensestijl hij overnam, nu nog altijd een dubbelzinnig aura hangt. Was hij een machochroniqueur die nooit om een portie seksisme en sensatiezucht verlegen zat, zoals sommigen beweerden? Of was hij een begiftigd beeldenstormer die de mens en de maatschappij een bewasemde spiegel voorhield, zoals Howard Hawks dat voor hem deed? Oordeel zelf na het bekijken van Siegels superieure genrefilms, nog de hele maand september in Cinematek. DON SIEGEL CYCLUS Cinematek, 4-29/9, cinematek.be DAVE MESTDACH