Kun je, voor de drommels die zich pas in de zomer herinneren dat er zoiets als cultuur bestaat, nog eens uitleggen waar PLAY om draait?

Hilde Teerlinck: Het uitgangspunt was dat onze maatschappij te weinig speelt. In de zin van: iets doen wat geen enkel nut heeft maar je wel plezier verschaft. Vandaar dat we zowel kinderen als volwassenen de kans geven om vanuit een van de Broeltorens op een luchtkussen te springen, om maar iets te noemen. Maar we wilden mensen ook doen nadenken over de perverse of politieke kant van spelen. De tentoonstelling gaat heel breed.

In Barcelona ondersteun je kunstenaars als directeur van de Han Nefkens Foundation, dus je ziet internationaal heel wat. Welke expo's kunnen, net als PLAY, een groot publiek bekoren?

Teerlinck: Ik heb zelf meegewerkt aan de tentoonstelling van Leo Copers in het S.M.A.K. In feite is het er een in verschillende delen en musea, die zijn vijftigjarige carrière beslaat. In Gent kun je naar zijn vroege werken gaan kijken, gemaakt tussen 1969 en 1974. Daarin speelt hij met gevaarlijke elementen zoals gas, water, vuur en elektriciteit. Die probeert hij te verenigen, door een lamp te doen branden onder water bijvoorbeeld. Dat creëert spanning. Tegelijkertijd lopen er expo's met andere delen van zijn werk in Bozar, M HKA en het Middelheimmuseum. Een andere tentoonstelling die mij persoonlijk heeft aangesproken, was die van het Puerto Ricaanse kunstenaarskoppel Allora & Calzadilla in de Fundació Antoni Tàpies hier in Barcelona. Er stonden objecten die om de zoveel uur door een performer werden geanimeerd. Vanuit een gat in een vleugelpiano dook plots iemand op die het klavier omgekeerd bespeelde en met heel het instrument als een rok door de ruimte bewoog, als een danser. Er gebeurde van alles, de dingen kregen een andere dimensie.

Aangezien je veel reist, gok ik dat er altijd wel een boek in je handbagage steekt.

Teerlinck: Eén boek? Soms voor drieëntwintig kilo! (lacht) Ik probeer namelijk mijn bibliotheek die nog in België staat beetje per beetje in Barcelona te krijgen. Laatst heeft de Armeense socioloog Georgi M. Derluguian mij, in het kader van een ander project waarmee ik bezig ben, An Introduction to Non-Obvious Sociology van Randall Collins aangeraden, uit 1992. Een klein boekje maar het geeft je wel de essentie mee. Net zoals kunstenaars reflecteren over de wereld waarin ze leven, legt Collins uit hoe onze maatschappij in elkaar zit. Je kunt bijvoorbeeld niet zeggen dat één persoon de macht heeft: er zit altijd een economisch of sociaal systeem onder. Dat inzicht zien we tegenwoordig ook in kunstwerken die de opkomst van totalitaire regimes of het vluchtelingenprobleem naar voren schuiven. Dergelijke maatschappelijke kwesties zijn voor mij heel belangrijk.