Eerste zin Ambassadeur Bernhard Wekman, permanent vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties in New York, stond ergens tussen drie en vier uur 's nachts voor het raam van de Nederlandse residentie aan Beekman Place, dronken, uitkijkend over de East River, Roosevelt Island en de lichtjes van Long Island City, zich afvragend hoe het ook alweer zat met die beroemde uitspraak: 'Wie jong is en links...' Nee, zo was het niet.
...

Eerste zin Ambassadeur Bernhard Wekman, permanent vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties in New York, stond ergens tussen drie en vier uur 's nachts voor het raam van de Nederlandse residentie aan Beekman Place, dronken, uitkijkend over de East River, Roosevelt Island en de lichtjes van Long Island City, zich afvragend hoe het ook alweer zat met die beroemde uitspraak: 'Wie jong is en links...' Nee, zo was het niet. Het is 2018 wanneer Bernhard over New York staat uit te kijken en terugdenkt aan zijn jonge jaren, toen hij deel uitmaakte van de Saamhorigheidsgroep, een stel linkse idealisten dat tegen kernwapens demonstreerde en knuffelbijeenkomsten organiseerde. Een van de leden van die groep, Bronno, die hij sinds 1983 niet meer heeft gezien, is die dag helemaal uit Haarlem naar hem toe gekomen, op zijn sandalen nog wel, omdat ze met de groep handtekeningen ingezameld hebben voor Tibet en van Bernhard verwachten dat hij omwille van hun oude vriendschap China daarover in de Veiligheidsraad zal interpelleren. Maar was het wel vriendschap geweest, toentertijd, vraagt Merijn de Boer zich in De Saamhorigheidsgroep af. Bernhard had zijn schermvriend Felix een keertje vergezeld naar een bijeenkomst, was er smoorverliefd geworden op Liza en was daarom lid geworden. Hij beloofde voortaan tien procent van zijn diplomatenwedde af te zullen staan voor het goede doel, maar hij deed dat niet uit idealisme. Wel omdat zijn libido dat eiste. En ook Liza was iets voor hem gaan voelen, ook al had ze een relatie met Tristan. Een moeilijke relatie trouwens, aangezien Tristan onvruchtbaar was en ze heel graag een kind wilden. Misschien kon Bernhard daar wel een handje helpen, suggereerde Liza, wat Tristan schoorvoetend toestond, waardoor hij voor de rest van zijn leven zijn grote rivaal in zijn zoon zou herkennen. In vergelijking met zijn vorige boeken is Merijn de Boer in deze roman minder vilein en absurd, al blijft het wel lachen. De manier waarop hij de toch ietwat naïeve Saamhorigheidsgroep neerzet en de mannen op zondagnamiddag laat knutselen met wc-rolletjes is ronduit hilarisch. Tezelfdertijd voel je ook zijn sympathie voor die naïviteit en voor de vriendschap die eruit voortvloeit. De Saamhorigheidsgroep is dus zeker geen uitlachliteratuur. Daarvoor gaat het boek te veel over Bernhard, de man die zijn hele leven denkt beter te zijn dan de anderen maar daar uiteindelijk toch niet zo zeker meer van is.