Eerste zin 'Een gat is een gat', zei Tomtom en uit zijn zelfgenoegzame houding leidden we af dat hij vannacht niet meteen begaan was geweest met de staat van ons aller ozonlaag.
...

Eerste zin 'Een gat is een gat', zei Tomtom en uit zijn zelfgenoegzame houding leidden we af dat hij vannacht niet meteen begaan was geweest met de staat van ons aller ozonlaag. Fitou is een dertigjarige schrijver die 'ziekenfondsliteratuur' liever aan anderen overlaat en smacht naar 'teksten met kloten'. Alleen vloeien de getestikuleerde zinnen de laatste tijd steeds moeizamer uit zijn pen. Zijn geliefde heeft hem de wacht aangezegd, waarna hij zijn verdriet is beginnen te verdrinken in sloten wijn en whisky en hij alleen nog maar artisjokharten eet. Niet meteen het beste recept om er weer bovenop te komen, vindt zijn vriend Leduc, bij wie Fitou is ingetrokken, waarna Leduc zichzelf een limonadeglas sterke drank inschenkt en bedenkt dat uiteindelijk toch niemand echt gered wil worden, wat zijn vier adellijke katten beamen. Leduc is de kleinzoon van een bekende schilder in wiens riante, maar stilaan toch wat aftakelende herenwoning hij zijn dagen slijt met literaire en andere kunstzinnige bezigheden. Werken doen Leduc en Fitou niet en waar ze het geld vandaan halen om hun uitspattingen in peperdure restaurants te betalen speelt geen rol. Zij leven immers in een wereld die verheven is boven het gesjacher waarmee het grootste deel van de mensheid zichzelf denigreert. Aangezien Luc Boudens De oogappel opgedragen is aan de in 2017 gestorven Henri-Floris Jespers en Boudens een van diens beste vrienden was, is het nogal snel duidelijk op wie Leduc en Fitou gebaseerd zijn. 'Die artiesten zullen het wellicht nooit leren', denkt Leduc op een bepaald moment in het boek. 'Altijd weer die eigenliefde', maar het is wel die eigenliefde die het leven en de literatuur net dat tikkeltje interessanter maken. Wie al eerder een boek van Luc Boudens las, zal de sfeer meteen herkennen, en de humor, want terwijl hij zijn personages in De oogappel op een wolk van artistieke onthechting boven de besognes van het gepeupel laat drijven, doorprikt hij tezelfdertijd ook die aspiraties als passé en illusoir. Wanneer Leduc en Fitou naar Parijs reizen, bezoeken ze er vanzelfsprekend het graf van Oscar Wilde, maar door hen precies naar dat graf te laten gaan, dat van de beroemdste aller woorddandy's, ondergraaft Boudens ook hun verfijnde eruditie. Fitou's larmoyante liefdesverhaal zou eentonig worden zonder een flinke portie relativerende humor, beseft hij, en dus trekt hij het kleed van de meesterironicus aan. Het past hem perfect.