JOOST ZWAGERMAN
...

JOOST ZWAGERMAN PROMETHEUS, 1600 BLZ., euro 39,95 'De roman: een kort verhaal met heel veel opvulsel', zei aforist Ambroce Bierce. Een 'essentiële schrijfvorm', vond Jorge Luis Borges. Met dergelijke autoriteitsuitspraken denkt Joost Zwagerman, auteur van 19 boeken ( Gimmick!, Vals licht), het ongetwijfeld nobele opzet van dit boek te kunnen schragen. Het korte verhaal is een kunst op zich, zo luidt het, geen aanloopje naar of doorslagje van de roman. Zwagerman vindt het 'moeilijk te begrijpen dat in Nederland en Vlaanderen het korte verhaal veel minder wordt gekoesterd en gewaardeerd' dan in Frankrijk, Rusland of Amerika. Wij zouden in de Nederlandstalige literatuur korte verhalen bezitten - en dus schrijvers onder ons lopen hebben - die zich kunnen meten met het werk en het kunstenaarschap van Hemingway, Fitzgerald, James, Toergenjev, Gogol, Tsjechov of zelfs Roald Dahl. Pardon? Even dachten we voor een heuse openbaring te staan, maar enkele honderden pagina's en evenveel minuten van snuisteren, van negeren wat we al kenden en van hopen op toch één kanjer, moesten we het hoofd schudden. Neen, liever één Tsjechov of James dan deze 250, dachten we. Juist, Zwagerman heeft het korte verhaal hier te lande véél beter bestudeerd dan wij, waarvoor wij hem beslist willen eren. En zijn inleiding poogt zeker een grove miskenning te bestrijden door te wijzen op de kunst van het kortverhaal, zij het dan een miskenning waarvoor hij zich in iets te veel bochten wringt. Het pleidooi zou zijn kracht uit de 250 verhalen moeten putten, maar het heeft er meer de schijn van dat Zwagerman zich op een dag over de Nederlandstalige literatuur boog en zich in het haar krabde bij de vraag wat er toch ontbreekt aan onze romans dat zij de grenzen van ons taalgebied nauwelijks overschrijden. Zou het misschien kunnen dat wij eerder dan in romans in het korte verhaal het mirakel moeten zoeken waarop we al decennia hopen? Natuurlijk niet, maar wanhoop maakt een mens soms wel eens geestdriftig. Vandaar allicht deze bloemlezing. De canon van de Nederlandstalige literatuur vind je er in terug, alsook de onnavolgbare Cyriel Buysse, die haast onze dood werd, toen wij zijn transcriptie van het Nevelse dialect luidop begonnen te declameren: "Woa schilt er dan? Woa hèt-e, voader? Zijt-e ziek?" vraagt de moeder. Waarop de vader: "Nie nien ek,..., 't en es niets, anders nie of de woarmte. " Kort, maar krachtig, inderdaad. Hans Comijn