vijfentwintig jaar geleden, toen het Brugse filmfestival zijn voorzichtige debuut maakte onder de ietwat tuttige naam 'De Derde Film', was het hoogst zeldzaam dat een niet-westerse film op een Belgisch bioscoopscherm werd geprojecteerd. Ofwel moest je ervoor naar een obscure filmclub voor gedreadlockte, Oxfamkoffie slurpende en djembé spelende wereldverbeteraars, ofwel moest je het stellen met de scabreuze homevideo's van een nonkel-missionaris. Terwijl heel wat 'exotische' landen als Japan, India, Mexico en Brazilië nochtans al sinds mensenheugenis een bloeiende filmcultuur hebben.
...

vijfentwintig jaar geleden, toen het Brugse filmfestival zijn voorzichtige debuut maakte onder de ietwat tuttige naam 'De Derde Film', was het hoogst zeldzaam dat een niet-westerse film op een Belgisch bioscoopscherm werd geprojecteerd. Ofwel moest je ervoor naar een obscure filmclub voor gedreadlockte, Oxfamkoffie slurpende en djembé spelende wereldverbeteraars, ofwel moest je het stellen met de scabreuze homevideo's van een nonkel-missionaris. Terwijl heel wat 'exotische' landen als Japan, India, Mexico en Brazilië nochtans al sinds mensenheugenis een bloeiende filmcultuur hebben. Anno 2008 zijn we verwend. Hoewel de geglobaliseerde Hollywoodmachine als een popcornspuwende pletwals over de wereldcinema heen dendert en alle couleur locale dreigt af te bleken, zijn films uit Azië, Afrika en Latijns-Amerika nog amper uit onze bioscopen weg te denken. Parallel met de groei van het Brugse festival ontwikkelde zich in tal van landen immers een filmproductie van eigen bodem waarvan Cinema Novo altijd een representatief beeld heeft geschetst. Eerst in China, waar de zogeheten Vijfde Generatie (Zhang Yimou, Chen Kaige) zich een weg tot in het westerse arthousecircuit baande. Later ook in Hongkong en Korea, waar vooral de genrefilm nieuwe impulsen kreeg. En nog later: in Iran, Noord-Afrika en Latijns-Amerika, waar tal van jonge auteurs opstonden die kritisch keken naar de maatschappij om hen heen en daarbij een eigen stijl ontwikkelden die schril afsteekt tegen de gladgepolijste mainstream uit Tinseltown. Diverse factoren deden die nationale filmculturen de voorbije kwarteeuw bloeien. In vrijemarkteconomieën als Korea en Hongkong was vooral de commercie een drijvende kracht, met snel en goedkoop maar efficiënt gemaakte actie en horror die voor de home-entertainmentmarkt was bedoeld. In China en Iran daarentegen waren het de dictatoriale regimes die per se hun eigen filmcultuur wilden uitdragen maar op die manier nogal wat dissidente stemmen kweekten die niet bepaald in hun propagandistische kraam pasten. Vooral Iran - misschien wel het meest succesvolle en artistiek consistente voorbeeld van een 'nationale cinema' - blijft daarbij een fascinerend geval én een constante kweekvijver voor jong en nieuw talent. Bijna alle grote, door het westen omarmde Iraanse regisseurs - van Abbas Kiarostami ( De smaak van kersen, 1997) tot Jafar Panahi ( Crimson Gold, 2003) - begonnen hun carrière als criticasters van het westersgezinde maar corrupte Sjahregime en liepen school op filmacademies die door het islamitische bewind werden gesteund. Meest markante voorbeeld: Mohsen Makhmalbaf, wiens eerste films zelfs schoolse, profundamentalistische pamfletten waren maar die later evolueerde tot een kritisch islamitisch filmmaker die tal van verboden prenten maakte en/of produceerde, zoals The Cyclist (1987), Kandahar (2001) of Blackboards (2000). Ook opvallend is de stilistische consequentie van deze 'Perzische Golf'. Van in de jaren zeventig blijkt die immers geënt op twee 'westerse' voedingsbronnen: het Italiaanse neorealisme met zijn reportagestijl, amateurcast, volkse settings en simpele, sociaal geëngageerde verhalen. En de Franse nouvelle vague, met zijn plastische beeldtaal, expressieve montage en rebelse doe-het-zelfattitude. Tegen de achtergrond van de Iraanse revolutie en haar stringente maatschappij resulteerde dat in een unieke melange van sociale en alledaagse onderwerpen, minimalistische visuele poëzie en filosofisch-morele vraagstukken, al blijft het natuurlijk te makkelijk om te suggereren dat originele, nationale cinema die tegen de westerse main- stream bestand blijkt enkel kan gedijen in autoritaire regimes of onder sociaal-politieke druk. Het bewijs, zij het dan in negatieve zin, wordt geleverd door Afrika. Hoewel het donkere continent aan politieke instabiliteit en sociale crisissen nooit een gebrek heeft gekend, is de (auteurs)film er nooit echt van de grond gekomen. Sterker nog: het was zelfs wachten tot diep in de jaren zestig - met Ousmane Sembène's La Noire de... (1966) en Med Hondo's O Soleil O (1968) - om eindelijk eens een échte Afrikaanse film te zien: een film die geen geromantiseerd, blank gekleurd of stereotiep beeld schetste. Continuïteit in de productie is er helaas nooit gekomen. Met uitzondering van die uit de Maghrebijnse landen, Egypte en Zuid-Afrika blijven Afrikaanse films dan ook exotische, veelal met Europees geld gefinancierde rariteiten. In heel wat landen blijft staatssteun dan ook essen-tieel, waarmee de discussie over film als schemerzone tussen kunst en commercie nog maar eens op gang kan worden gezwierd. Liberaal geïnspireerde jongens en meisjes zullen fijntjes wijzen op het autonome succes van de cinema uit pakweg Hongkong (John Woo, Johnnie To, Ringo Lam) en Korea (Park Chan-wook, Kim Ki-duk, Bong Joon-ho), al kon die in tegenstelling tot de Iraanse of Afrikaanse cinema natuurlijk wel gedijen in een rijke kapitalistische maatschappij. Let wat dat laatste betreft ook op de ommezwaai binnen de Chinese film, waar het traditionele heimatdrama - remember Het Rode Korenveld, Ju-Dou en Farewell to My Concubine - alsmaar vaker moet wijken voor digitaal bijgewerkte, op globale leest geschoeide spektakelepossen als Hero of Crouching Tiger, Hidden Dragon. Zoals de wereldcinema de sociaal-economische omwentelingen reflecteert en de maatschappij waarin die gedijen, zo brengt Cinema Novo inmiddels al een kwarteeuw lang een mooie dwarsdoorsnede van die wereldcinema. Geen wonder dat ook het festival door de jaren heen flink is veranderd: van een kleinschalig initiatief met een uitgesproken sociale missie en amper 750 bezoekers in 1983 tot een modern, divers publieksfestival met 20.000 bezoekers dat de snel veranderende filmproductie uit drie al even snel veranderende continenten op de voet volgt. Reis de wereld rond in tien dagen, van 6 tot 16 maart tijdens Cinema Novo, in hartje Brugge. Door Dave Mestdach