[DE KLASSIEKE SCÈNE]

Niet verrassend: dit boek gaat over lezen. Bennett slaagt er met brio in een bescheiden, maar indrukwekkende variant te vinden op het 'theater in theater': een aloude truc om op de toneelscène momentum te genereren. De 'ongewone lezer' uit de titel is de koningin van het Verenigd Koninkrijk. Terwijl ze op een dag buiten haar honden bedaart, maakt ze kennis met Mr Hutchings, die een mobiele bibliotheekafdeling bestiert en bestuurt, en Norman Seakins, keukenhulp in het paleis en Hutchings enige lener. Ze leent beleefdheidshalve een boek, laat zic...

Niet verrassend: dit boek gaat over lezen. Bennett slaagt er met brio in een bescheiden, maar indrukwekkende variant te vinden op het 'theater in theater': een aloude truc om op de toneelscène momentum te genereren. De 'ongewone lezer' uit de titel is de koningin van het Verenigd Koninkrijk. Terwijl ze op een dag buiten haar honden bedaart, maakt ze kennis met Mr Hutchings, die een mobiele bibliotheekafdeling bestiert en bestuurt, en Norman Seakins, keukenhulp in het paleis en Hutchings enige lener. Ze leent beleefdheidshalve een boek, laat zich door Seakins adviseren en van het een komt het ander. Niet in de laatste plaats een heerlijke, über-Britse ode aan het lezen. En, haast terloops, een dissectie van het eenzame openbare leven van een koningin. 'Niets van wat Sir Claude had gezegd had enig gewicht, maar toch zat ze erover na te denken die avond in Royal Albert Hall, tijdens een speciaal promenadeconcert ter ere van haar. In het verleden had muziek haar nooit echt verlicht, ze had altijd iets van een verplichting gehad. Ze kende het repertoire immers vooral van concerten zoals dit, waarop ze aanwezig had móéten zijn. Vanavond daarentegen, scheen de muziek meer te betekenen. Dit was een stem, bedacht ze terwijl een jongen klarinet speelde: Mozart, een stem die iedereen in de zaal kende en herkende, hoewel Mozart al tweehonderd jaar dood was. En ze herinnerde zich Helen Schlegel in 'Howards End', die zich beelden van Beethoven voor de geest haalde tijdens het concert in de Queen's Hall dat Forster beschrijft. Beethoven is nog zo'n stem die iedereen kende. De jongen was klaar met spelen, het publiek applaudisseerde en meeklappend boog ze zich naar iemand van haar gezelschap toe, alsof ze haar appreciatie deelde. Maar wat ze wilde zeggen, was dat, oud als ze was, bekend als ze was, niemand haar stem kende. En in de auto naar huis zei ze plotseling: 'Ik heb geen stem.' 'Niet te verbazen,' zei de hertog, ''t is verdomme veel te heet. Keel, zeker?'' Het moet hier om Mozarts laatste concerto gaan - dat voor klarinet en orkest. Royal Albert Hall telt ruim vijfduizend plaatsen; kamermuziek kan het moeilijk zijn. De 'jongen' is wellicht een man, die tegenover de Queen jeugdig afsteekt. Te vermoeden valt dat we ons als soundtrack het bloedmooie, na duizend muzakversies nog onaangetaste middendeel moeten voorstellen, waarin het voor de minder aandachtige luisteraar inderdaad kan lijken alsof er geen orkest meespeelt. Allicht heeft Bennett hier expliciet voor een archetypisch werk gekozen. Mozart heeft een 'stem' die tot ons collectieve empathiesysteem is gaan behoren. Het klarinetconcerto is daarvan de samenvatting én een van de hoogtepunten. Eric Hoeprich, Brüggen, Orkest van de Achttiende Eeuw (Glossa). RUDY TAMBUYSER