Recorded Picture Company in hartje Londen heeft meer weg van een museum dan van een kantoor. De muren zijn behangen met diploma's van het festival van Cannes en posters van de films die het productiebedrijf van Jeremy Thomas (67) de voorbije veertig jaar realiseerde. In zijn bureau weet je niet waar eerst gekeken. 'Dat samoeraizwaard in de hoek? Een aandenken aan Thirteen Assassins van Takashi Miike', grijnst de gelauwerde Britse filmproducent. Hij geeft een kleine rondleiding. 'Dit is een foto van Dennis Hopper en mezelf. Daar zie je Bob Rafelson en Jack Nicholson op de set van Blood and Wine. Hier heb je een aan mij gerichte, gehandtekende brief van Walt Disney. Dit is de cricketbal uit The Shout. Ook foto's van Bernardo Bertolucci, Nicolas Roeg, David Cronenberg, Jerzy Skolimowski, William Burroughs, Terry Gilliam en Nagisa Oshima passeren de revue. 'Ik beschouw het als een hele eer dat ik met die artiesten heb mogen samenwerken. Ik ben een grote geluksvogel', zegt Thomas. Op prietpraat betrap je de juryvoorzitter van Film Fest Gent zelden. Maar dat laatste zinnetje is klinkklare onzin. Als zijn levensverhaal één ding leert, dan wel dat hij het geluk altijd heeft afgedwongen.
...

Recorded Picture Company in hartje Londen heeft meer weg van een museum dan van een kantoor. De muren zijn behangen met diploma's van het festival van Cannes en posters van de films die het productiebedrijf van Jeremy Thomas (67) de voorbije veertig jaar realiseerde. In zijn bureau weet je niet waar eerst gekeken. 'Dat samoeraizwaard in de hoek? Een aandenken aan Thirteen Assassins van Takashi Miike', grijnst de gelauwerde Britse filmproducent. Hij geeft een kleine rondleiding. 'Dit is een foto van Dennis Hopper en mezelf. Daar zie je Bob Rafelson en Jack Nicholson op de set van Blood and Wine. Hier heb je een aan mij gerichte, gehandtekende brief van Walt Disney. Dit is de cricketbal uit The Shout. Ook foto's van Bernardo Bertolucci, Nicolas Roeg, David Cronenberg, Jerzy Skolimowski, William Burroughs, Terry Gilliam en Nagisa Oshima passeren de revue. 'Ik beschouw het als een hele eer dat ik met die artiesten heb mogen samenwerken. Ik ben een grote geluksvogel', zegt Thomas. Op prietpraat betrap je de juryvoorzitter van Film Fest Gent zelden. Maar dat laatste zinnetje is klinkklare onzin. Als zijn levensverhaal één ding leert, dan wel dat hij het geluk altijd heeft afgedwongen. Mad Dog Hopper Thomas werd in de cinema geboren.Zijn vader, Ralph Philip Thomas, werkte als regisseur, eerst in de roemruchte Ealing Studios en daarna in de Pinewood Studios. Ook zijn oom Gerald was daar regisseur. Als kind bracht de jonge Jeremy enorm veel tijd door in de studio's. In de klas dacht hij voortdurend aan film en op zijn zeventiende hield hij de school al voor bekeken. Hij vond een job in de filmlabo's en daarna als assistent in de montagekamer. Het plan was om op te klimmen tot monteur en vervolgens, net als zijn vader, tot in de regiestoel. Ken Loach was de eerste die hem de kans gaf om zelf een film te monteren, A Misfortune. Kort daarop vertrok Thomas voor drie jaar naar Australië. Dat was in 1974, toen de filmbusiness er nog pril was. Daar zette de snotneus een productie op het getouw: Mad Dog Morgan (1976), een legendarische titel uit de Aussiecinema. 'Ik had Dennis Hopper kunnen strikken én we werden geselecteerd voor Cannes ', zegt Thomas. 'Hopper was op dat moment een paria in Hollywood. Niemand durfde met hem in zee te gaan omdat hij zo gek was, zo ver heen. Maar als jonge kerel vind je dat net heroïsch. Ik bewonderde zijn levensstijl en houding en zocht hem in New Mexico op met de vraag of hij een bush ranger wilde spelen in een Australische western. Hij hapte toe. Ik wist niet waar ik aan begon. Je moet jong zijn om zoiets te durven. Vandaag zou ik er niet meer aan beginnen.' Terug in Engeland kocht Thomas het scenario voor The Shout en ging hij op zoek naar een interessante regisseur. Zijn oog viel op de Pool Jerzy Skolimowski. Op het Festival van Cannes in 1978 wonnen ze de Grand Prix du Jury, en voor hij het zelf besefte, was Thomas voltijds filmproducent geworden. 'Ik probeerde films van de grond te krijgen. Dat lukte, dus deed ik verder. Zo simpel was het. Ik moet er wel bij zeggen dat er toen meer ruimte was voor cinema dan vandaag. Cinema was groot, tv was klein. Vandaag is het omgekeerd.' In Cannes raakte Thomas aan de praat met een andere prijswinnaar: de door hem bewonderde Nagisa Oshima, de Japanse beeldenstormer achter de wereldwijde schandaalhit L'empire des sens (1976). In 1983 maakten ze samen Merry Christmas, Mr. Lawrence, een film over een Japans krijgsgevangenenkamp met popsterren David Bowie en Ryuichi Sakamoto in de hoofdrollen. 'Dat was mijn eerste grote hit', zegt Thomas. 'In dezelfde periode deed ook Eureka van Nicolas Roeg het goed. Op slag was mijn bedrijf een stuk solider. Voor zover een onafhankelijke filmproducent solide kan zijn. Onze constructies zijn altijd wankel. We moeten voortdurend gokken. Er moet altijd van alles geregeld worden. En het is niet aan iedereen besteed om telkens weer die grote sommen geld te riskeren.' Bernardo Bertolucci, de Italiaanse maestro die furore had gemaakt met Il conformista en Novecento, was onder de indruk van Merry Christmas, Mr. Lawrence en nam contact op met Thomas voor een film over de laatste keizer van China. 'The Last Emperor was de meest succesvolle film die ik geproduceerd heb. Alles zat mee. Omdat veel Britse banken interesse hadden om in China te investeren, kregen we het geld bij elkaar; omdat Bertolucci een grote naam was, zagen de Chinezen hem graag komen. Alles wat je ziet, is echt. Er is geen enkel digitaal effect aan te pas gekomen.' Bovendien kon Thomas werken met de beste cameraman (Vittorio Storaro), de beste kostuumontwerpers en de beste decorbouwers. En voor de muziek zorgden Ryuichi Sakamoto en David Byrne. 'We waren de eerste westerse ploeg die op zo'n grote schaal in China filmde. We hebben zelfs in de Verboden Stad gedraaid. Ik was 35 toen we aan het project begonnen, 37 toen we negen Oscars wonnen. Vandaag is zo'n epos niet meer haalbaar voor een onafhankelijke producent. Veel te duur.' Onderwerpen kiezen met het oog op een avontuur heeft Thomas nooit gedaan. Maar hij heeft verre landen en onherbergzame streken ook nooit als een hindernis gezien. 'De maan is te ver, maar op aarde durf ik alles aan', lacht hij. 'Met 250 mensen de Sahara of de Himalaya intrekken, filmen in Bhutan of in de Verboden Stad: ik draai er mijn hand niet voor om. Ik trek er graag met een filmploeg op uit. Daar ben ik goed in.' 'Je moet in deze job durven te dóén, maar je moet ook durven te drómen', luidt zijn devies. 'Voor ze er zijn, droom ik mijn films. Ik selecteer geen films op basis van hun mogelijke opbrengst. Ik herhaal geen succesnummers en ik kopieer geen formules. Dat interesseert me niet. Ik pas me niet aan andermans smaak aan, ik ga voort op míjn smaak. Dat lijkt een zot concept voor een bedrijf. Meestal kiezen productiebedrijven voor films waarvan ze denken dat een groot publiek ze wil zien. Maar ik vind het leven te kort om tijd te steken in films die mij niet zinnen.' Thomas iseen kind van de tegencultuur. Hij voelt zich aangetrokken tot schrijvers als J.G. Ballard, Paul Bowles, William S. Burroughs en Christopher Hampton, die hij stuk voor stuk naar het witte doek vertaalde. 'In 1988 ontmoette ik David Cronenberg tijdens het festival van Toronto en ik vroeg hem waar hij zin in had', herinnert hij zich. 'Hij wilde Naked Lunch van Burroughs verfilmen. Bijna iedereen wil met Cronenberg werken, maar niet als hij afkomt met een onverfilmbaar geacht boek als Naked Lunch. Ik zei wél meteen ja. Als er iemand in staat was om Burroughs te verfilmen, dan was het Cronenberg wel. Die twee waren voor elkaar gemaakt.' Ook Cronenberg en J.G. Ballard leken voor elkaar gemaakt, dus waagden de twee zich nadien aan Crash. De rare, psychoseksuele ideeën van Ballard én de rare, psychoseksuele ideeën van Cronenberg: dat moest wel een rare, kinky film opleveren, met alle hevige, negatieve reacties van dien. 'Die had ik nochtans niet zien aankomen', lacht Thomas. 'Vooral in Engeland stootte Crash op fel protest. In de West End-bioscopen mag de film nog altijd niet vertoond worden. In Cannes won hij de Prix du Jury, maar juryvoorzitter Francis Ford Coppola onthield zich tijdens de stemming. Waarom? Wilde hij zich distantiëren van de film? Natuurlijk voelden de toeschouwers zich ongemakkelijk. Dat was net de bedoeling.' 'Ik stel wel vast dat Crash vandaag nog altijd mensen aanspreekt. Tideland van Terry Gilliam is langzaam maar zeker ook aan een comeback bezig. Ik laat mijn films nooit los. Ik blijf voor mijn kinderen zorgen. Ik restaureer ze, digitaliseer ze. In het verleden is er veel te veel verloren gegaan. Te veel films zijn slecht bewaard en daardoor niet bekijkbaar. Dat wil ik niet meemaken. Die films zijn een deel van mijn leven. En soms kan ik er nog iets mee verdienen. Mensen blijven geïnteresseerd in films als Bad Timing van Nicolas Roeg of The Great Rock 'n' Roll Swindle, de mockumentary over The Sex Pistols. Die films hebben hun plek in de cultuur verworven.' 67 is Thomas ondertussen, en in zijn vijftigjarige loopbaan heeft de Londenaar de filmindustrie grondig zien veranderen. Dat mensen zijn films vaker bekijken op hun laptop dan in de bioscoop: daar heeft hij vrede mee. Noodgedwongen weliswaar. 'Ik móét er mij wel bij neerleggen als ik verder wil gaan met wat ik zo enorm graag doe: films maken.' Wat in die tijd niet veranderd is, zijn de uitdagingen die een filmproducent moet aangaan. 'Je moet nog altijd op zoek naar een goed verhaal en de juiste huurlingen om van het materiaal iets goeds te maken. Dat is niet veranderd. Maar op technologisch vlak is het verschil met veertig jaar geleden gigantisch. Alles is nu digitaal. Blockbusters vullen nog zalen, maar voor kleinere films trekt de jongere generatie niet meer naar de bioscoop. Voor een filmgekals Thomas is die verandering een zware dobber. 'Vroeger kon je er vrij gerust in zijn: als je een goede film gemaakt had, kwam er volk kijken. Die garantie is er niet meer. Een uitstekende film kan zomaar op zijn bek gaan als hij niet populair is. Gevolg: de uitdagende cinema - de cinema waar ik toe heb mogen bijdragen - wordt alsmaar zeldzamer. Ik weiger te romantiseren, maar blijf niettemin optimistisch. Goede films zullen blijven bestaan. Het komt er alleen op aan de veranderingen te absorberen.' Maar dat is een zorg voor later. Eerst mag Thomas ontdekken wat de competitie van Film Fest Gent te bieden heeft. 'Ik hou van Gent', klinkt hij enthousiast. 'Het mooiste schilderij ter wereld hangt er: Het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck. Ik ben telkens weer enorm onder de indruk van hoeveel menselijk vernuft en werk in dat grootse schilderij gekropen is. Al mijn films zitten vol kunst, muziek, design en fotografie. Dat is de signatuur van dit productiebedrijf, dat de lat altijd hoog gelegd heeft en dat zal blijven doen. Ik mag dan wel 67 zijn en al vijftig jaar in dit vak aan de slag zijn, ik tel niet af. Ik sta te popelen om aan het volgende avontuur te beginnen.' door Niels Ruëll'Ik pas me niet aan andermans smaak aan, ik ga voort op míjn smaak. Het leven is te kort om tijd te steken in films die me niet zinnen.' Jeremy Thomas