Tijdens de eindgeneriek van deze eerste fictiefilm van documentairemakers Rob Epstein en Jeffrey Friedman zingt een man met licht onvaste stem, begeleid door een harmonium het lied Father Death Blues. Na de muziek verschijnt de zanger: een wijs ogende grootvader met kalende kruin, grijze baard, dikke bril en flaporen. Het zou de sympathiekere broer van Stanley Kubrick kunnen zijn, maar het is wijlen Allen Ginsberg.
...

Tijdens de eindgeneriek van deze eerste fictiefilm van documentairemakers Rob Epstein en Jeffrey Friedman zingt een man met licht onvaste stem, begeleid door een harmonium het lied Father Death Blues. Na de muziek verschijnt de zanger: een wijs ogende grootvader met kalende kruin, grijze baard, dikke bril en flaporen. Het zou de sympathiekere broer van Stanley Kubrick kunnen zijn, maar het is wijlen Allen Ginsberg. Het beeld strookt niet met de reputatie van iconoclast die de dichter het grootste deel van zijn carrière heeft meegedragen. Ginsberg wist precies wat hij wilde uitstralen en beheerste dat imago volledig. Dit was geen man die door historisch of commercieel toeval in de schijnwerpers was beland en tot een karikatuur van zichzelf was veranderd. Allen Ginsberg had een missie. Met het baanbrekende gedicht Howl bracht hij die in 1955 voor het eerst onder woorden en hij zou die de rest van zijn leven ook in daden omzetten. Ginsberg had geen betere titel kunnen verzinnen voor zijn poëtische uithaal. In de 112 regels van de oorspronkelijke versie maakt hij komaf met álles wat hem in de voorafgaande 29 jaar onderdrukt had. En die lijst was lang: van zijn vader en moeder - en alles waarvoor ze symbool stonden - tot de burgerlijke maatschappij. In het Amerika van de vroege jaren 50 werd iedereen die buiten de lijntjes kleurde automatisch als subversief beschouwd. Nauwelijks een paar jaar eerder had senator Joseph McCarthy zijn heksenjacht op communisten en homoseksuelen ontketend. Een gedicht dat resoluut tot anticonformisme opriep, luidkeels de herenliefde bezong en het genot van drugsgebruik bejubelde, sloeg dus in als een bom. Dat Lawrence Ferlinghetti, die met zijn kleine uitgeverij City Lights Ginsbergs eerste bundel Howl and Other Poems op de markt bracht, in 1957 wegens obsceniteit een proces aan de broek kreeg, kwam niet echt als een verrassing. Negen literaire experts en de burgerrechtenorganisatie ACLU namen het voor Ginsberg op. Uiteindelijk besliste de rechter dat Howl wel degelijk sociaal belang had, waardoor de publicatie aan de wettelijke definitie van 'obsceen' ontsnapte. De rechtszaak gaf het gedicht een faam die het anders nooit had gekregen, maar het was duidelijk dat Ginsberg de vinger aan de pols hield. In de Verenigde Staten roerde zich een generatie die niet akkoord ging met de heersende situatie en met Allen Ginsberg had ze een ideaal kopstuk gevonden. Ginsberg werd geboren op 3 juni 1926 als tweede zoon van Joodse immigranten met Russische roots en linkse opvattingen. Vader Louis was leraar Engels en een dichter van de klassieke school, moeder Naomi had uitgesproken marxistische sympathieën en dweepte met nudisme. 'Ouderwetse salonfilosofen', omschreef Ginsberg hen later. 'Ofwel liep mijn vader gedichten van Dickinson en Longfellow te mompelen, ofwel verketterde hij T.S. Elliot omdat die de poëzie om zeep geholpen had. Mijn moeder verzon verhaaltjes voor het slapengaan in de trant van 'De goede koning besteeg zijn paard, reed zijn kasteel uit, zag de lijdende arbeiders en hielp hen'. Ik begon al snel beide kanten verdacht te vinden.' Met zijn moeder ging het de foute kant op: de paranoïde vrouw raakte ervan overtuigd dat de FBI iets in haar hoofd geplant had. Als ze niet in een ziekenhuis lag, moest de jonge Allen voor haar zorgen. Haar toestand verbeterde nooit meer en op zijn 21e gaf Ginsberg op aanraden van een psychiater de toestemming voor een lobotomie. Hij zou het trauma nooit helemaal verwerken en het dook regelmatig in zijn werk op. Zelfs Howl verwijst ernaar - 'With mother finally ******' - en in 1959, drie jaar na haar dood, wijdde Ginsberg er met Kaddish een volledig gedicht aan. Ginsberg mag dan zeggen dat hij met geen van zijn ouders op dezelfde golflengte zat, een relschopper was hij niet - toch niet in het begin. Op de middelbare school haalde hij goede resultaten en werd hij verkozen tot voorzitter van de debatclub. Toen al was hij zich bewust van zijn talent met woorden. Op zijn veertiende schreef hij in zijn dagboek dat hij een genie zou worden, 'waarschijnlijk in de literatuur'. Zijn schoolprestaties leverden hem in 1943 een kleine studiebeurs op van de Young Men's Hebrew Association of Paterson, het stadje in New Jersey waar hij is opgegroeid, genoeg om zich in te schrijven aan de prestigieuze universiteit van Columbia. Ginsbergs eerste studiekeuze was rechten, met als doel arbeidsadvocaat te worden. Het idee kwam van vader Louis, maar zoals elke ouder kon de man onmogelijk voorzien welke vrienden zijn zoon zou maken. De namen Jack Kerouac, William S. Burroughs, Neal Cassady en Lucien Carr klinken nu als een klok, maar toen waren het de vrijgevochten geesten die de naïeve, en veel jongere Ginsberg van het rechte pad afleidden. In een mum van tijd veranderde Allen van een brave student rechten in een student Engels met een groeiende interesse voor drugs, alcohol, jazz en poëzie. Ook zijn homoseksuele gevoelens zwollen aan, aangemoedigd door seksuele veelvraat Cassady. Ginsberg had zijn seksuele voorkeur altijd onderdrukt, maar nu kwam hij terecht in een omgeving waar niemand op zijn keuze neerkeek. Het contrast met de maatschappij van die tijd, waarin homoseksualiteit als een ziekte beschouwd werd en homo's vaak in instellingen belandden en met elektroshocks behandeld, moet als een enorme bevrijding hebben gevoeld. Vrijheid was het sleutelwoord voor de hippe bende waarmee Ginsberg het New Yorkse nachtleven onveilig maakte, al zou het nog een hele tijd duren voor hij die een constructieve invulling kon geven. Toen de poetsvrouw van zijn studentenhuis in de lente van 1945 hem en Kerouac samen in bed aantrof, verwittigde de geschokte vrouw de decaan. Als reactie schreef Ginsberg 'Butler has no balls' - een uithaal naar de zeer gerespecteerde universiteitspresident Nicholas Murray Butler - en 'Fuck the Jews' op het raam van zijn kamer. Ondanks een verzoeningspoging van Lionel Trilling en Mark Van Doren, twee bekende dichters die lesgaven aan Ginsberg en veel potentie in hem zagen, schorste de universiteit de jonge student voor een jaar wegens obsceniteit. Zijn belangrijkste aanvaring met het gerecht volgde vier jaar later. Ginsberg was net afgestudeerd en woonde samen met een hoop andere mensen in een afgetakelde flat in New York. Een van die mensen was Herbert Huncke, een dichter die het appartement met gestolen goederen begon vol te stouwen. Op den duur kreeg Ginsberg schrik dat de politie zou binnenvallen en behalve het gestolen materiaal ook zijn dagboeken zou vinden, waarin hij onder meer zijn homoseksuele ervaringen beschreef. Op een dag besloten ze om de flat op te ruimen, de dagboeken bij Ginsbergs broer te verbergen en de rest naar een veilige plaats te brengen. In Queens sloegen ze echter een foute straat in: ze reden in de verkeerde richting door een eenrichtingsstraat en kregen een politiewagen achter zich aan. De achtervolging kwam abrupt tot een eind toen de auto de stoeprand raakte en over de kop ging. In blinde paniek - en omdat hij zijn bril was kwijtgeraakt: halfblind - rende Ginsberg nog weg, maar omdat zijn adres in het groot op al zijn dagboeken stond, had de politie weinig moeite om hem op te sporen. Huncke vloog achter de tralies, Ginsberg wist het gerecht ervan te overtuigen dat hij een psychisch probleem had en werd veroordeeld tot acht maanden in het Columbia Presbyterian Psychiatric Institute, de instelling die hij in Howl 'Rockland' noemt. Het verblijf zou op meer dan één manier cruciaal worden in zijn ontwikkeling als schrijver. Hij maakte er kennis met een andere aspirant-dichter, Carl Solomon, aan wie hij Howl zou opdragen. Solomon was een dadaïst en een leerling van de Franse avant-gardeschrijver Antonin Artaud, en hij en Ginsberg liepen vaak uitgebreid door de gangen van de instellingen te filosoferen. Bovendien gebruikte hij die acht maanden om zo veel mogelijk te lezen en aan zijn poëzie te schaven. Toen Ginsberg in de lente van 1950 weer vrijkwam, sloeg de paniek toe. Zou hij de moed vinden om tegen het systeem te blijven vechten? Hij besloot dat hij zich beter gewonnen gaf en schikte zich naar de heersende normen. Hij ging weer bij zijn vader in Paterson wonen, probeerde allerlei jobs uit en legde het zowaar aan met een paar vrouwen - initiatieven die allemaal even weinig succesvol bleken. Een van die jobs was in een reclamebureau op Madison Avenue - Ginsberg als 'Mad Man' dus - waar hij onder meer aan een campagne voor het tandpastamerk Ipana meewerkte. Zijn zogenaamde 'straight phase' duurde tot 1954. Na omzwervingen langs Zuid Amerika, Mexico en San José belandde hij in San Francisco, waar hij Peter Orlovsky ontmoette, die de volgende decennia zijn vaste partner zou worden. Als dichter bleef hij echter geblokkeerd, tot hij een laatste keer zijn moed verzamelde. Plots vielen alle puzzelstukken op zijn plaats. Er was de New Vision, het ideeëngoed dat hij samen met Kerouac en Carr had uitgewerkt en stelde dat een dichter zich volslagen ongecensureerd moet kunnen uiten, bij voorkeur geholpen door geestesverruimende middelen. Er was Ginsbergs voorliefde voor de 18e-eeuwse Britse dichter William Blake, die poëzie zag als een manier om in alle openheid commentaar te geven op de wereld om zich heen. Er was Walt Whitman, Ginsbergs andere grote voorbeeld, die altijd gepleit had voor het gebruik van spreektaal. Er was zijn ontmoeting met de dichter William Carlos Williams, die Ginsberg had aangeraden om van de traditionele regels van de poëzie af te stappen. En er was de jazz, waar Ginsberg het idee haalde om een vers zo lang te maken als een ademstoot, net zoals Charlie Parker zo lang improviseerde als hij lucht had. Het resultaat van die explosieve cocktail was Howl. Ironisch genoeg voelde Ginsberg zich vooral bevrijd omdat hij van bij de eerste regels begreep dat Howl eigenlijk veel te gewaagd was om ooit publiek te worden gemaakt. Zijn vader zou het dus nooit onder ogen krijgen. Toen hij het gedicht op 13 oktober 1955 voor een publiek van een honderdtal kunstenaars, intellectuelen en vrienden voorlas in de Six Gallery in San Francisco waren de reacties echter zo enthousiast dat hij achteraf met tranen in de ogen van het podium stapte. De vonk die zou leiden tot de explosie van de Beat Generation was gegeven en de rechtszaak die een half jaar later volgde, zorgde er enkel voor dat het vuur zich over het hele land verspreidde. Intussen verbleef Ginsberg in Tanger, waar hij William Burroughs hielp met diens doorbraakroman Naked Lunch. Het andere grote kopstuk van de Beatschrijvers, Jack Kerouac, bezweek onder het gewicht van het enorme succes van On The Road en zocht zijn toevlucht in de fles. Ginsberg had er minder moeite mee om het leiderschap van de Beatbeweging op zich te nemen, misschien omdat hij als voormalige reclamemaker begreep hoeveel beroemdheid waard is. Hij wierp zich meteen op als de spreekbuis van een generatie en groeide uit tot een van de centrale figuren van de hippietegencultuur - de term 'flower power' komt trouwens van hem. In nauwelijks een decennium groeide hij uit tot een superster, iets wat je niet meteen van een dichter verwacht. Vooral zijn onverschrokken eerlijkheid sprong in het oog, zowel in de interviews die hij gaf als bij zijn publieke verschijningen. 'Allen was een pionier qua openheid en zijn hele leven een model van oprechtheid', zei William Burroughs in 1997 over zijn toen pas aan leverkanker overleden vriend. 'Als hij zo'n invloed heeft gehad, is het omdat hij zei wat hij geloofde.' Die houding bracht hem wel vaak in de problemen. Ginsberg was een luis in de pels van veel wereldleiders, aan beide kanten van het politieke spectrum. Cuba liet hem het land uitzetten omdat hij kritiek had op hun behandeling van homoseksuelen - en omdat hij Che Guevara ' cute' had genoemd. In Tsjecho-Slowakije was hij niet meer welkom nadat de studenten hem tijdens de Praagse lente tot Meikoning hadden gekroond. Hij werd gearresteerd tijdens betogingen tegen de Vietnamoorlog in New York en tijdens het Democratisch Nationaal Congres in Chicago in 1968. Toen daar de spanningen tussen de politie en de betogers hoog opliepen, nam Ginsberg een megafoon en zong zeven uur lang het boeddhistische 'Ohm' om de gemoederen te bedaren. Ginsberg bleef zijn hele leven strijden voor de goede zaak en sprak ook telkens nieuwe generaties aan, ook al omdat hij gefascineerd was door pop- en rockmuziek. In de loop van zijn carrière werkte hij samen met onder meer The Clash, Bob Dylan en U2 en hij gebruikte de Beatlessong Eleanor Rigby tijdens zijn lessen Engels. Het laatste wat hij op plaat uitbracht, was trouwens een op muziek gezet gedicht met Paul McCartney op gitaar en drums. Het heette Ballad of the Skeletons en het bundelde met een typische Ginsbergknipoog alle doelwitten die de dichter in zijn leven op de korrel had genomen en alle thema's die hem nauw aan het hart lagen, van sociale en politieke wantoestanden over seks en drugs tot religie en vrije meningsuiting. Die laatste strijd is trouwens nog lang niet gestreden. Vier jaar geleden besloot een nochtans progressieve radiozender in New York dat het veiliger zou zijn om tijdens een programma over kunst een gedicht niet uit te zenden omdat het gewaagde woorden bevat. De boete van de Federal Communications Commission, die na het tepelincident met Janet Jackson in 2004 de regels weer verstrengd had, zou immers zo hoog kunnen oplopen dat de zender bankroet zou gaan. Het gedicht in kwestie was Howl. HOWL Vanaf 14 september in de bioscoop. Bekijk Gus Van Sants videoclip van Ballad of the Skeletons. Lees Ginsbergs volledige gedicht Howl. EXTRA OP KNACKFOCUS.BE DOOR RUBEN NOLLET'Howl' was de vonk die zou leiden tot de explosie van de Beat Generation. 'Op zijn veertiende schreef Allen Ginsberg in zijn dagboek dat hij een genie zou worden - waarschijnlijk in de literatuur.'