Vlaanderen is in twee helften verdeeld. De ene knutselt in de garage allerlei uitvindingen in elkaar en schrijft zich in voor De Bedenkers, de andere staat in een atelier voor een schildersezel of een onwillig stuk marmer en doet mee aan De Canvascollectie. Het was mooi om te zien hoe in de eerste aflevering van de grote kunstenaarswedstrijd duizenden mensen naar een van de voorrondes afzakten, met onder de arm enkele schilderijen, een paar geboetseerde beeldjes of een maquette in spaanplaat. En de zenuwachtige schilders die met trillende vingers hun canvassen uitstalden of de vervaarlijke uitziende beeldhouwwerken ...

Vlaanderen is in twee helften verdeeld. De ene knutselt in de garage allerlei uitvindingen in elkaar en schrijft zich in voor De Bedenkers, de andere staat in een atelier voor een schildersezel of een onwillig stuk marmer en doet mee aan De Canvascollectie. Het was mooi om te zien hoe in de eerste aflevering van de grote kunstenaarswedstrijd duizenden mensen naar een van de voorrondes afzakten, met onder de arm enkele schilderijen, een paar geboetseerde beeldjes of een maquette in spaanplaat. En de zenuwachtige schilders die met trillende vingers hun canvassen uitstalden of de vervaarlijke uitziende beeldhouwwerken die met katrollen de lucht in werden gehesen, leverden ook leuke televisie op. Alleen had het met kunst weinig te maken, of toch niet met de vraag wat kunst precies inhoudt. Oké, Marcel Vanthilt mocht in een amusant filmpje de twintigste eeuw overlopen en zich afvragen hoe je hedendaagse kunst kunt herkennen (conclusie: 'Als u denkt dat u het ook kunt, bedenk dan ook waarom u het niet hebt gedaan.'). En Sofie Lemaire duwde in haar rubriekje enkele galerijbezoekers een microfoon onder de neus om hen te vragen wat ze vonden van de werken om hen heen. Maar op de selectieplaatsen zelf werd er nauwelijks gediscussieerd. Je zou denken dat de confrontatie tussen duizenden amateur-kunstenaars en een tiental experts de ideale gelegenheid zou bieden om een debat te voeren over de criteria om iets 'kunst' te noemen. We zagen echter vooral de juryleden vakjes met 'ja' of 'neen' aanvinken en stempels zetten, maar een uitleg over het waarom van die beslissing volgde er zelden of nooit. Eerlijk gezegd kregen Jan Leyers en co in Idool stukken meer tijd om uit te leggen waarom deze of gene kandidaat een ronde verder mocht, terwijl het daar voor de leek veel gemakkelijker was om hun beslissing te snappen - een goed stel oren volstond meestal. Het meest schrijnende voorbeeld was Dirk Eelen, broer van In De Gloria-regisseur Jan. Die kwam naar Brussel met drie schilderijen onder de arm, en na een korte deliberatie kreeg hij te horen dat er één daarvan geselecteerd was. 'Omdat dat het beste aansluit bij wat u verteld hebt', aldus de juryvoorzitster. Niet alleen werd je als kijker volledig in het ongewisse gelaten over wat de man dan wel had gezegd, ook de kunstenaar zélf begreep niet waarom precies dat werk was uitgekozen. Het beste moment uit de eerste afleve- ring van De Canvascollectie stond dan ook los van de wedstrijd. Bij het begin ging het programma langs in het atelier van Koen van den Broek, een schilder die ook aan de preselecties deelnam. Hij mocht uitgebreid uitleggen hoe hij werkt en vertellen over hoe hij in de kunstwereld was gerold: Van den Broek is een architect-ingenieur en zag 'het verschil tussen Rubens en Rembrandt niet' toen hij zich aan een schildersezel zette. Die vijf minuten zegden eigenlijk meer over kunst en het kunstenaarschap dan de veertig minuten die erna kwamen. En ze toonden ook hoe pijnlijk het eigenlijk is dat iemand als Van den Broek, die in 2003 al tentoonstelde in het MOMA van San Francisco en als enige Vlaming door de prestigieuze Londense galerij White Cube vertegenwoordigd wordt, mee moet doen aan een wedstrijd voor beginnende kunstenaars om eens een tv-ploeg over de vloer te krijgen. Door Stefaan Werbrouck