DE BRULAAP ***
...

DE BRULAAP *** Christophe Bell, Manteau, 143 blz., ? 19,99. Eerste zin Ik ben veertien en ik sta met twintig jongetjes rond een zelfgebouwd kookvuur. Zes jaar geleden eindigde een Antwerps studentenfeestje in een drama. Christophe Bell en Mattias Van Der Stighelen, zoon van de bekende reclameman Guillaume Van der Stighelen, vielen per ongeluk in een onafgeschermd keldergat. Mattias was op slag dood. Christophe werd in coma afgevoerd naar het ziekenhuis en herstelde. De brulaap is Bells saluut aan zijn vriend Mattias, geen autobiografisch treurdicht, maar wel een los gecomponeerde, impressionistische roman waarin iemand terugdenkt aan alle plezier en onschuld van weleer. Het boek bestaat uit een aantal op zich staande fragmenten waarin telkens een facet belicht wordt van de vriendschap tussen het luipaard en de brulaap, zoals hun totemnamen in de scouts luidden. Tijdens een kamp in Schotland steelt Christophe bijzonder symbolisch een aantal brandende kolen van zijn vriend om zo ook vuur te hebben. In de Pyreneeën trekken ze de haringen van een meisjestent uit de grond, waardoor deze zachtjes in elkaar zijgt. En dan is er natuurlijk nog de studententijd, toen de jongens samen op kot zaten en dachten dat niets hen kon raken. Bell schrijft een bijzonder poëtisch proza waaraan de psychische verwarring na de dood van de brulaap makkelijk af te lezen valt. Op iedere straathoek meent hij zijn dode vriend te zien. Dat die fatale dag niet precies zo had moeten verlopen als ook maar één enkel detail anders was geweest, als bij wijze van spreken het verkeerslicht op rood had gestaan en niet op groen, houdt hem sterk bezig. Hij overweegt zelfs zelfmoord en bezoekt een psychiater om er weer bovenop te raken. Zwaarwichtig wordt het boek daardoor niet. Daarvoor schrijft Bell te etherisch en te kwetsbaar, immer laverend op de slappe koord tussen esthetiek en pathetiek. En soms gaat het op dat vlak wel eens mis. Dan lijkt hij al te zeer meegesleept te worden door zijn eigen emoties, waardoor hij zinnen schrijft als 'In duisternis neemt men enkel schimmen waar. In spiegels enkel zichzelf.' of 'Waar zoek ik iets wat ik niet kan vinden?' Ergens doet het aan Peter Verhelst denken, maar dan wel aan een heel jonge, die nog moet leren doseren. MARNIX VERPLANCKE