'Ik ben een salamischrijver. Ik probeer goede salami te schrijven, maar salami is salami. Je kunt het niet als kaviaar verkopen.'
...

2003. Stephen King krijgt de National Book Award, een van de grootste literaire onderscheidingen in de VS. Een hele eer voor hem, een schande volgens literaire critici. De achterliggende gedachte: de man met de slechte ogen en de ziekenfondsbril heeft op dat moment driehonderd miljoen boeken verkocht. Iemand die zo'n groot deel van het gepeupel aanspreekt, móét wel een slechte schrijver zijn. En heeft hij zelf niet ooit gezegd dat hij 'een salamischrijver' is? Onterechte winnaar, zoveel is zeker. Een kaakslag voor echte auteurs, die dagen schaven aan een enkele zin. Niet zo. King is een instinctieve auteur, geen woordenkramer. Hij tikt geen komma te veel, hij maakt geen aantekeningen. Maar hij bedrijft geen kunst, en zal dat ook nooit van zichzelf beweren. Hij doet aan storytelling. Aan een razend tempo - 55 romans en ruim 200 kortverhalen sinds zijn debuut Carrie uit 1974 - schrijft hij ongewone verhalen die appelleren aan de primaire angsten van mensen. Over vampiers en weerwolven. Over kindermoordenaars in clownskostuum en een meisje dat door telekinese alles in vuur en vlam kan zetten. Over vier jonge jongens die op zoek gaan naar het lijk van hun vriend. En over schrijvers. King heeft veel geschreven over schrijvers. Het ligt het dichtst bij wat hij kent. Net zoals de kleurrijke figuren die in de onooglijke, duffe plattelandsdorpjes van zijn thuisstaat rondwaren. Geen enkele van zijn boeken zal ooit een great American novel genoemd worden, maar toch verdient hij een plaats in de literaire canon van de VS. King intrigeert en prikkelt de fantasie, en de horror komt uit hemzelf. Het begint allemaal wanneer een bang, in de steek gelaten jongetje op zolder een boek ontdekt. 1950. Stofzuigerverkoper Donald King verdwijnt met de noorderzon. De jonge Stephen, amper drie, blijft achter met zijn moeder en zijn broer David. Later zal hij over zijn vader zeggen: 'Eerst dacht ik: ik wil hem vinden en zijn kop inslaan. Later werd dat: ik wil hem vinden, zijn kant van het verhaal horen en dán zijn kop inslaan.' Eén geluk: pa laat op zolder een boek achter. Er staat een demon op de cover. Het is The Lurker at the Treshold van H.P. Lovecraft. De kiem is gelegd. Stephen heeft verlatingsangst. Zal ook zijn moeder hem in de steek laten? Hij droomt er in elk geval over. Ook hijzelf doolt rond in zijn nachtmerries. In de meeste ervan wordt hij opgejaagd door monsters, in een heel specifieke door een enge clown. Pas 35 jaar later zal hij definitief met hem afrekenen, in zijn bestseller It (1986). Al op heel jonge leeftijd schrijft King de dromen van zich af. Zo vaak tikt hij de woorden mother en monsters op zijn aftandse typemachine dat de 'm' afkraakt. Geld voor een nieuw toestel is er niet, dus brengt hij de ontbrekende letters achteraf aan, met een pen. Hij zal blijven schrijven, ook wanneer hij aan de University of Maine gaat studeren. Daar ontmoet hij Tabitha Spruce. Wanneer ze in 1971 zwanger raakt van een dochter, trouwen ze. Een jaar later al wordt het gezin uitgebreid met een zoon. Een zware last om te dragen, zo blijkt. King, die ondertussen als leraar werkt, schrijft soms hele nachten, maar zonder succes. Uitgevers lusten zijn verhalen niet. Te niche. Te weinig literair en tegelijk te goed geschreven om op de pulpmarkt te gooien. Horror, en dus onverkoopbaar - in die tijd. King voelt zich een mislukkeling en werkt zijn frustraties uit op de kinderen. 'Ik wilde hen slaan', zal hij later opbiechten. Hoewel het nooit zover komt, haat hij zichzelf. Voor zijn vreselijke gedachten, die niet verdwijnen nadat de verkoop van zijn debuutroman Carrie en opvolger Salem's Lot (1975) zijn wildste dromen overtreft. Hij past zijn beproefde methode toe en schrijft een boek over een getormenteerde schrijver die zijn vrouw en kind naar het leven staat. Het lukt. Met zijn derde roman, The Shining (1977), bevestigt hij niet alleen zijn reputatie van master of horror, ook de dwanggedachte verdwijnt. Al is er nog dat andere probleempje. 1988. Tabitha King heeft iets georganiseerd in het reusachtige landhuis in Bangor, Maine dat haar man van zijn royalty's heeft gekocht. Niet alleen de kinderen, maar ook enkele goede vrienden wachten hem op. Taart is er niet. Wanneer King van de trappen naar beneden is gewaggeld, kiepert Tabitha de bewijzen van zijn jarenlange verslaving voor zijn voeten uit: lege bierblikjes en flessen Listerine, maar ook plastic zakjes waarin ooit cocaïne zat. Ze zet hem voor het blok: afkicken of scheiden. Hij kiest voor het eerste. Tabitha heeft hem al eens uit de echtelijke sponde getrapt, maar dat heeft niets uitgehaald. King kon niet stoppen met drugs en drank, bang als hij was dat hij geen letter meer op papier zou krijgen. Hij dronk al sinds zijn studententijd. Al zijn romans heeft hij onder invloed geschreven. Van Cujo (1981) herinnert hij zich zelfs niet meer dat hij dat boek geschreven hééft. Vaak vond zijn vrouw hem aan zijn schrijftafel, met zijn neus in de kots. King was zodanig weg van de wereld dat Tabitha hem in 1979, net na de geboorte van hun jongste zoon Owen, aantrof op zijn stoel, met zijn voeten in een plas bloed. Hij had net een vasectomie ondergaan en had niet gemerkt dat hij fel aan het bloeden was. Toen ze hem aanmaande om te stoppen met schrijven, zei hij: 'Momentje, laat me eerst deze paragraaf afmaken.' De argumenten van Tabitha zijn doorslaggevend. Al is er nog één ander ding dat hem over de streep trekt. Zijn op dat moment recentste boek The Tommyknockers (1987) is met de grond gelijkgemaakt. Niet alleen door de literaire critici, iets wat King wel gewend is, maar ook door zijn fans. Voor het eerst, en terecht. De zevenhonderd pagina's tellende kanjer ontbeert alles wat het gros van zijn eerdere werk wel had: boeiende personages, spanning en - vooral - een meeslepende plot. Zijn volgende roman wordt The Dark Half (1989), over een schrijver die letterlijk een robbertje uitvecht met zijn duistere zelfkant. Het werkt therapeutisch: King is nuchter en zal sindsdien nog regelmatig uitpakken met boeken die zijn beste werk benaderen. 11/22/1963 bijvoorbeeld, uit 2011, over een man die terugreist in de tijd om de moord op John F. Kennedy te verijdelen. 1980. Het is hommeles tussen King en Stanley Kubrick, die net op magistrale wijze The Shining heeft verfilmd. King is not amused met de adaptatie van het boek waarin hij zoveel van zichzelf heeft gestoken. Vooral de casting is hem een doorn in het oog. De keuze voor Shelley Duvall - een 'gillende schotelvod' - als de vrouw van Jack Torrance vindt hij 'een belediging voor alle vrouwen', en voor hoofdrolspeler Jack Nicholson loopt hij al helemaal niet warm. Hij vindt hem al in de beginscène 'zo gek als een rat in een schijthuis', terwijl het personage in het boek een evolutie doormaakt. Kubrick retourneert het compliment door The Shining 'een snertboek' te noemen. In 1997, twee jaar voor Kubrick sterft, zal King een tv-versie van The Shining produceren. Met Steven Weber en Rebecca De Mornay. Daarmee weet u genoeg. Zo onstaat de mythe dat King weinig kaas van film heeft gegeten. Al was er al Maximum Overdrive (1986), de enige film die hij zelf heeft geregisseerd. En een onwaarschijnlijk misbaksel. Spijt heeft hij wel. 'Ze hebben me niet gevraagd omdat ik kan filmen, maar omdat ik Stephen King ben. Als je beroemd genoeg bent, zouden ze het zelfs oké vinden als je jezelf verhangt op Times Square, zolang er maar camera's in de buurt zijn.' Voor de rest draagt King de zevende kunst een warm hart toe. Hij spreekt met veel liefde over de adaptaties van Stand by Me (1986) en Misery (1990), en net zoals zovelen vindt hij The Shawshank Redemption (1994) een van de beste films aller tijden. Ook aspirant-filmmakers zijn bij hem aan het goede adres. Nog steeds kunnen jonge talenten de rechten van zijn kortverhalen - níét van zijn romans - voor amper één dollar kopen. Het enige wat hij daarvoor in ruil vraagt, is een exemplaar van de film. Vindt hij die goed, dan schuift hij hem in de kast waar hij die 'Dollar Babies' bewaart. Spreekt in zijn nadeel: King vindt Cujo (1983), over een dolgedraaide sint-bernardshond, een goede film. Niemand anders vindt dat. Echt niemand.