Eerste zin In 1945 hadden de geallieerde legers Duitsland bereikt en staken ze de Rijn over.
...

Eerste zin In 1945 hadden de geallieerde legers Duitsland bereikt en staken ze de Rijn over. De verteller van Atte Jongstra's nieuwste roman bezoekt in een bejaardentehuis een oudere dame die het onderwerp van de biografie waaraan hij werkt nog gekend heeft. Hij raakt er aan de praat met haar buurman. Chris Holtser, zoals de man heet, blijkt een bijzonder eigengereide kijk op de realiteit te hebben. 'Het is een grote zeikboel', zegt hij. 'Altijd maar pissen. Ik sta de hele dag met dat ding in mijn hand.' Maar ooit was het anders, ontdekt de verteller wanneer hij een paar pakken papier meeneemt die in Holtsers kamer rondslingeren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Holtser een beeldhouwer die uit vrees om opgeroepen te worden door de Duitse Arbeidsdienst een baantje als archivaris bij de dienst Monumenten zocht. Hij behoorde ook tot een vriendenkringetje dat grof geld verdiende met het maken van kopieën van bekende schilderijen, liefst van al met eten erop, zoals Van Goghs korenvelden, maar niet zijn Aardappeleters - dat zou het er al te zeer in wrijven dat ze een hongerwinter meemaakten. 'De aardappelcentrale' noemden ze zich, en alles ging goed tot Holtser het plan opvatte een monument te maken voor de Onbekende Overlevende: een reusachtige aardappel, wel anderhalve kubiek groot. Atte Jongstra is al jaren het cynische geweten van Nederland, en in deze roman gaat hij tot het uiterste in zijn demasqué van kleinburgerlijke genoegzaamheid. Hij voert prins Bernhard op, die het jammer vindt dat hij niet mee geweest is met zijn secretaresse toen ze huizen ging plunderen in het bevrijde Duitsland. Hij laat Holtsers vriendinnetje verzuchten dat die dag kersenplukken op de Veluwe de mooiste van haar leven was, ook al stonden er in het station zo veel Joden met pak en zak te wachten op de trein naar Westerbork, en hij maakt van Holtser zelf een sluwe, egoïstische antiheld die tolk wordt voor de Amerikaanse Monument Men, via het noorden van Vlaanderen naar Aken en zelfs Straatsburg reist en klaagt wanneer zijn hotel niet door het Amerikaanse leger wordt betaald. De aardappelcentrale is tegelijkertijd sappig en bitter. Het is een ontluisterende roman die baadt in een Oost-Europees aandoend absurdisme en bewijst dat we onszelf wel heel veel hoogdravende verhalen kunnen wijsmaken, maar dat zonder piepers de wereld stilvalt.