Natuurlijk kennen we Thurston Moore als die rijzige oudstrijder van de New Yorkse no wave, noiserock en experimentele gitaarmuziek. Als de Dorian Gray van de indierock ook, die op gevorderde leeftijd nog steeds het aanzien én de ingesteldheid van een handenwrijvend naar de horizon lonkend jongmens kan ophouden. Tegenwoordig, sinds hij met een andere vrouw dan zijn voormalige echtgenote en Sonic Youth-bassiste Kim Gordon een nieuw leven in Londen heeft opgebouwd, geldt Moore tevens als de voornaamste oorzaak van de comateuze toestand waarin zijn vroegere band verkeert.
...

Natuurlijk kennen we Thurston Moore als die rijzige oudstrijder van de New Yorkse no wave, noiserock en experimentele gitaarmuziek. Als de Dorian Gray van de indierock ook, die op gevorderde leeftijd nog steeds het aanzien én de ingesteldheid van een handenwrijvend naar de horizon lonkend jongmens kan ophouden. Tegenwoordig, sinds hij met een andere vrouw dan zijn voormalige echtgenote en Sonic Youth-bassiste Kim Gordon een nieuw leven in Londen heeft opgebouwd, geldt Moore tevens als de voornaamste oorzaak van de comateuze toestand waarin zijn vroegere band verkeert. Maar ook zonder Sonic Youth ligt Moores werkritme hoog. In 2011 bracht hij een akoestische en haast bucolische soloplaat uit, Demolished Thoughts, in een productie van Beck. Daarna volgde met Chelsea Light Moving een uiteraard bij voorbaat mislukte poging om als zanger-gitarist de anonimiteit van een andere band op te zoeken. En uit een bundel songschetsen die hij vorig jaar samen met de Britse improvisatiegitarist James Sedwards op diverse kleine podia te berde bracht, is nu The Best Day geboren. Spelen de plaat mee vol: niemand minder dan Sonic Youth-drummer Steve Shelley en My Bloody Valentine-bassiste Debbie Googe. Om aandacht heeft Thurston Moore sinds de oprichting van Sonic Youth, drieëndertig jaar geleden in New York, zelden verlegen gezeten. Maar welke spots er ook op hem gericht stonden, het deel van zijn hart dat voor het geschreven woord klopt, is zelden belicht geraakt. Nochtans: THURSTON MOORE: Schrijver worden, was mijn grootste aspiratie. Dat toekomstbeeld zag ik van mezelf, als volwassene. Wat me eerst zo aantrok in artiesten als Television, Patti Smith en Richard Hell was dat ze uit de poëzie kwamen. Of dat toch beweerden. De naam William Burroughs hoorde ik voor het eerst in verband met Lou Reed. En wie was die Delmore Schwartz die zo'n onuitwisbare stempel op Reeds artistieke ontwikkeling had gedrukt? Al die verbanden, dat maakte me als tiener enorm nieuwsgierig. Ik had nog niet besloten muzikant te worden, maar ik had wel al ingezien dat er een vruchtbare interactie bestond tussen muziek en poëzie. Tom Verlaine van Television noemde zichzelf naar Paul Verlaine, de symbolistische dichter. Wat waren symbolistische gedichten? Richard Hell haalde zijn pseudoniem bij Arthur Rimbaud. En Bob Dylan was er altijd, om hem kon niemand heen. Al die dingen fascineerden me oneindig veel meer dan waar Robert Plant zich op dat moment mee bezighield. (lacht)Downtown Manhattan zag er eind jaren zeventig uit alsof er een bom op was gevallen. Het was Armageddon. Maar dus ook een plek die je met je eigen handen en hoofd kon heropbouwen. Toch verpieterde mijn schrijverswens er al snel. Ik kende het Poetry Project van St. Mark's Church wel, in de East Village, maar dat scheen me een oudere scene, met bebaarde lui als Ted Berrigan. Ik was nog groen, hing liever rond waar de Ramones waren. En mijn poëzie stelde trouwens niet zoveel voor: precies wat je van een negentienjarige knul uit het provinciale Connecticut kon verwachten. Ik realiseerde me al snel dat al de energie in de stad werd ontplooid in clubs als Max's Kansas City en CBGB's. Niet alleen omdat al die bands er speelden, maar ook omdat Allen Ginsberg, Peter Orlovsky en William Burroughs daar aan een tafeltje naar diezelfde groepen zaten te kijken terwijl ze sigaretten rookten. Dat waren de plekken waar iedereen was. Ook de dichters. Want die waren overal. En Patti Smith was gewoon een van hen. Een concert van haar was net zo goed een poëzievoordracht. MOORE: Midden jaren negentig kwam ik Chögyam Trungpa Rinpoche op het spoor, door over hem te lezen in een biografie van Allen Ginsberg. Rinpoche was een belangrijke boeddhistische geestelijke, een meesterpriester die de oosterse meditatiemethodes in het westen heeft helpen te introduceren. David Bowie is nog een tijdlang een van zijn volgelingen geweest. In die mate zelfs dat hij op het punt stond zijn hoofd kaal te scheren en de westerse levensstijl vaarwel te zeggen. Rinpoche zou hem hebben aangeraden dat niet te doen en te kiezen voor de muziek, omdat hij voelde dat dat Bowies ware roeping was. Hoe dan ook, in de vroege seventies heeft Rinpoche dus Naropa University opgericht, toen nog Naropa Institute. In New York liep hij eens Allen Ginsberg tegen het lijf. Ze kenden elkaar niet, maar Ginsberg was ogenblikkelijk ingenomen voor die charismatische figuur, en Rinpoche werd zijn goeroe. Op een dag vroeg Ginsberg hem of hij een zomerworkshop schrijven mocht geven op Naropa. Dat werd in 1974 dus de Jack Kerouac School of Disembodied Poetics. Een losse bedoening die doorheen de jaren wat meer structuur en bureaucratie heeft gekregen, maar toch: het waren eerst wilde zomers, met literaire lui als William Burroughs, Diane Di Prima, Gregory Corso en Ishmael Reed die op de campus rondzwierven. En nu volg ik in hun voetsporen, ja. Dan heb ik het bijvoorbeeld over de grote schaduw van Burroughs die over de rockmuziek hangt. Zonder excessen, hoor. Niemand ligt er nog naakt te zonnebaden en acid gaat niet langer van hand tot hand. Maar je voelt wel dat de herinneringen aan die tijd nog levendig zijn. Ik mag er lesgeven zoals het mij uitkomt, en dat staat me zeer aan. MOORE: Poëzie schrijven is al lang niet meer aan mij besteed: voor mij is tekst onlosmakelijk verbonden met wat ik uit mijn gitaar haal. Verzamelen doe ik nog wel. Ik ben gefascineerd door de geschiedenis van kleinschalige uitgaves van de beat poets. Op tournee ga ik in universiteitsboekenwinkels steevast op zoek naar die getypte en gestencilde undergrounddruksels, waarmee die lui niet alleen hun ideeën over de dichtpraktijk, maar vaak ook hun grootste werk hebben verspreid. Zo is mijn archief geboren: duizenden van die vluchtige poëziepublicaties. Ik lees nu soms gedichten voor in Londen, zoals vroeger in New York. Via Eileen Myles, een lesbische dichteres en een goeie vriendin van mij, heb ik Radieux Radio leren kennen. Een pseudoniem, hun echte naam ken ik niet - ik zeg hun, want het is een transgender. Nog voor er van deze plaat sprake was, waren we aan het praten over The Angry Brigade in Londen, een groep anarchisten met heel afgelijnde politieke opvattingen uit het begin van de seventies. Een van hen was een tamelijk gerenommeerde dichteres genaamd Anna Mendelssohn, die haar naam heeft veranderd in Grace Lake - een van de songs op de plaat - en een gedicht heeft geschreven met als titel Detonation. Dat zou trouwens eerst de titel van de plaat zijn geworden. Vóór ik van gedacht veranderde en als rode draad niet activisme en protest heb gekozen, maar plezier en overgave. Wat, tja, beter bij mijn huidige gemoedstoestand past. Voor deze plaat had ik aanvankelijk een hoop instrumentale stukken liggen, dus zei ik tegen Radieux: voed me met woorden. Vocabularies en Tape zijn gebaseerd op gedichten die ik van, euh, hen kreeg. MOORE: Songs vormen altijd een weerslag van je situatie, altijd. Ik heb te kampen gehad met een crisis in mijn persoonlijke leven, zoals je weet. Dat heeft mij en mensen rondom mij geschokt en geschaad. A lot of fucked-upnessthere. Maar er is ook dat andere iets in mijn leven, dat helemaal liefdevol en wondermooi is. Dat zit wel enigszins in de plaat. Maar de songs zijn daar zeker geen afspiegeling van. Schrijven is voor mij sowieso spelen met taal, en de vele facetten ervan: bladspiegel, woordenschat, metrum. Maar in feite doet dat productieproces weinig ter zake. Ik heb vaak moeten denken aan Another Green World van Brian Eno, waarop ik de teksten altijd al zo evocatief heb gevonden. Tot ik jaren later te weten kwam dat ze voor hem louter een dadaïstische oefening waren. Dus al die tijd dat ik dacht dat hij wist waarover hij zong, zong hij over níéts. Grote teleurstelling. Tot ik me realiseerde dat het eigenlijk wel boeiend was dat iemand wat uit zijn duim kan zuigen en de luisteraar daarop reageert. Voor Chelsea Light Moving heb ik trouwens hetzelfde gedaan: snelheid en spontaniteit waren tijdens het schrijven belangrijker dan betekenis. Maar ik probeer altijd wel een persoonlijke draad doorheen de abstractie te spannen. Ik hou niet van het idee van gobbledegook: jargon waar alleen ikzelf wijs uit raak. Neem I Am the Walrus van The Beatles: fantastische tekst, hoewel je best weet dat ze daar met z'n allen wiet zaten te roken. Maar het kan evengoed gebeuren dat een ziek figuur als Charles Manson er een sein in hoort dat er enkele mensen moeten worden afgemaakt. Ik bedoel maar: misschien is het zelfs aangewezen niet te veel te piekeren als je zelf aan de schrijftafel zit. (lacht)Zelf gebruik ik voor mijn songteksten liefst een vorm van stream of consciousness. Maar wel een die ik altijd toesta van richting te veranderen. Ik gooi iets op papier, en dan valt me in dat dat refereert naar iets wat emotioneel al een tijdlang sluimerde. En dan ga ik daarop door. Of ik formuleer uit het niets plots iets wat tamelijk slim is, zonder overdreven cerebraal te zijn. Want dat is een dunne grens, hoor. Waarmee kan ik zoal wegkomen? Dansen op de grens van het belachelijke, dat is het liefste wat ik doe. (lacht) THE BEST DAY Uit bij Matador op 20/10. Thurston Moore speelt op 14/11 in de Antwerpse Arenbergschouwburg in het kader van Autumn Falls. AUTUMN FALLS Alle info: autumnfalls.toutpartout.be DOOR KURT BLONDEEL