27 maart 2009. The Dorchester Hotel, Londen. Als alles volgens plan verloopt, mogen we zo meteen op visite bij Russell Crowe. Die speelt de hoofdrol in de politieke thriller State of Play, gebaseerd op de gelijknamige alombejubelde BBC-miniserie uit 2003.
...

27 maart 2009. The Dorchester Hotel, Londen. Als alles volgens plan verloopt, mogen we zo meteen op visite bij Russell Crowe. Die speelt de hoofdrol in de politieke thriller State of Play, gebaseerd op de gelijknamige alombejubelde BBC-miniserie uit 2003. Crowe kruipt daarvoor in de huid van de eigengereide onderzoeksjournalist Cal McAffrey die, samen met zijn jonge collega Della (Rachel McAdams), op zoek gaat naar de waarheid omtrent de moord op de maîtresse van een aanstormend toppoliticus (Ben Affleck). Genoeg stof voor discussie dus. Vooral ook omdat Crowe ooit beweerde een rothekel te hebben aan journalisten - zeker wanneer die over zijn privé-escapades berichten - maar er nu zelf een vertolkt in een film die bovendien ondubbelzinnig hommage brengt aan het journalistieke metier. Zou de Australische A-Lister zijn mening dan toch herzien hebben? En hoe voelt het om in extremis Brad Pitt te moeten vervangen die net voor de opnames afhaakte? Het zijn vragen die bovenaan ons lijstje prijken. Tenminste: tot Crowe weer eens zijn reputatie van onberekenbare bad boy blijkt na te komen en twee uur na afspraak nog steeds in geen velden te bespeuren is. Gelukkig is de regisseur van dienst - de Schot Kevin McDonald (41) - wel netjes op de afspraak en blijkt hij bovendien een boeiende gesprekspartner. Zo bewees de kleinzoon van de Britse filmgigant Emeric Pressburger eerder al een neus te hebben voor de melange van feit en fictie, en politiek en journalistiek. De bewijzen vind je in zijn Oscarwinnende documentaire One Day in September (1999) over de Palestijnse terreuraanslag tijdens de Olympische Spelen van München 1972, in zijn funky pseudobiopic The Last King of Scotland (2006) over de Oegandese dictator Idi Amin, of in State of Play, een naar Washington DC getransponeerde dossierthriller over de machinaties binnen het politieke bedrijf en de emancipatorische rol van de geschreven pers. Kevin McDonald: Een van de eerste dingen die hij zei, was dat hij journalisten haatte. Gelukkig is zijn personage meer een verbeten sukkel dan een heroïsche reporter wat hij - zoals zoveel filmsterren - een contradictio in terminis vond. Bovendien groeide zijn respect voor het beroep aanzienlijk toen hij samen met The Washington Post-veteraan R.B. Brenner de film voorbereidde, en dankzij hem inzag dat er ook journalisten zijn die het hun democratische plicht vinden om het publiek correct te informeren. McDonald: Die moet je niet overschatten. Ik heb wat gefreelancet en een boek over mijn opa geschreven omdat ik in de filmbranche niet meteen werk vond. Het ging me eigenlijk altijd meer om het plezier ergens de waarheid van te achterhalen dan om een echte journalistieke roeping. Ik heb wel altijd een zwak gehad voor journalistenfilms. State of Play is dan ook opgevat als een hedendaagse versie van All the President's Men, en misschien is het wel de laatste film over de geschreven pers, nu het internet en de commercie de rol van de kritische krantenjournalistiek alsmaar verder uithollen. Kwaliteitskranten zijn onontbeerlijk binnen een gezonde democratie en het ziet er dus naar uit dat corrupte politici een gouden tijdperk tegemoet gaan. (Lacht) Dat was trouwens de reden waarom Brad Pitt de film oorspronkelijk wilde maken. McDonald: We waren het eens over de insteek, maar hij was niet tevreden over het personage van Cal McCaffrey. Hij vond zichzelf niet passen als de slonzige deadlinejunkie die geen meisje kan versieren - wat zijn integriteit onderstreept. Ik respecteer zijn beslissing, die achteraf trouwens de juiste bleek. McDonald: Verbazend veel zelfs. Eén keer heb ik een bezorgd telefoontje gekregen van de studio omdat een van de personages een kettingroker bleek. Sjoemelende politici en moordende gangsters waren geen probleem. Maar roken in een Hollywoodfilm? Het moest niet gekker worden. (Lacht) Gelukkig heb ik geen enkele peuk digitaal moeten verwijderen. Zelfs over mijn final cut heb ik niet langer moeten discussiëren dan bij mijn documentaires. McDonald: Deels wel. The Last King of Scotland was mijn eerste fictiefilm, maar voelde nog altijd aan als een documentaire - aangezien we in Oeganda hebben gedraaid met een kleine crew en zonder filmsterren. Voor State of Play moest ik voor het eerst met studiobobo's en filmsterren onderhandelen over draaischema's, contractvoorwaarden, decors en noem maar op. Er ging veel meer tijd verloren aan zaken die niets met de film te maken hadden, maar zoiets went wel. Ik mag trouwens niet klagen. Ik heb een dure, karaktergedreven film voor volwassenen mogen maken, wat in deze tijden van kleutercinema en superheldenbullshit een zeldzaam privilege is. McDonald: Een directe invloed is er niet. Mijn grootvader maakte opera-achtige fantasiefilms, terwijl ik door realisme gedreven word. Maar als je een politieke thriller over Washington DC maakt - een milieu dat al zo vaak in beeld is gebracht - helpt het om een frisse, originele invalshoek te vinden. In die zin blijft het werk van Powell en Pressburger met hun fantastische decors en geweldige shots wél inspirerend, net als de politieke ondertoon die ze in hun films stopten, hoe kunstig en abstract die ook waren. STATE OF PLAY Vanaf 17/6 in de bioscoop Door Dave Mestdach