Persona (1966)

FILM: **** EXTRA'S: (MOSKWOOD)
...

FILM: **** EXTRA'S: (MOSKWOOD) FILM: ** EXTRA'S: (MOSKWOOD) FILM: * EXTRA'S: (MOSKWOOD) Sommige mensen hebben een hartgrondige hekel aan Bergman. Ik kan ze niet altijd ongelijk geven. Zijn verstikkende thematiek van verziekte (echtelijke) relaties, zijn beteuterde Zweden die zwaar gebukt gaan onder het zwijgen van God en elkaar voortdurend kwellen en vernederen, de protestantse kilte die over zijn films hangt: soms is het toch een beetje too much (zelfs voor Zweden). Maar één ding moet je hem nageven: in de jaren 50 en 60 maakte hij een serie films die intellectuelen van over de hele wereld ervan overtuigden dat film de gelijke was van literatuur en theater. Film als kunst dus, in staat om de grote levensvragen expressief te dramatiseren. Persona is zo'n film. Het is zelfs de Bergmanfilm bij uitstek: tegelijk zwaarmoedig maar ook fascinerend cryptisch, tegelijk deprimerend pessimistisch maar ook stimulerend door de kracht van Bergmans cinematografische visie. Persona opent met een schokkende droomsequentie die alles wat Bergman in zijn eerdere en latere films bezighield, samenvat. Daarna volgt een grotendeels in verblindend wit gehuld Kammerspiel over twee vrouwen op een afgelegen eiland: de verpleegster Alma (Bibi Andersson) en haar patiënte Elisabet (Liv Ullmann), een toneelactrice die door een trauma de spraak verloren heeft. Tegenover de zwijgzaamheid van de een staat de spraakwaterval van de ander. De actrice wordt luisteraar, de therapeute wordt exhibitionist. Wat uitmondt in een van de meest erotische scènes uit de Europese kunstfilm uit die tijd: de beruchte monoloog van Alma over een nachtelijke strandorgie. Bergman bouwt de hele film toe naar een angstaanjagende osmose van twee persoonlijkheden: met de halve gezichten van zijn twee actrices creëert hij een nieuw gelaat. Soortgelijke avant-gardeprocédés toegepast op een verhalende bioscoopfilm, maakten van Persona ook een mijlpaal in wat toen de 'moderne cinema' heette. Net als de Godard van Pierrot Le fou en Weekend en de Antonioni in L'Avventura verlegt Bergman in Persona de grenzen van de filmtaal. Zoals in het verbluffende effect waarmee hij de illusie van het filmmedium doorprikt en dat bij dvd-consumptie helaas aan verwarrende kracht inboet. De film waar we naar kijken lijkt in de projector te blijven steken en voor onze ogen te verbranden. Het is niet alleen de hele wereld die in elkaar stort, maar ook de structuur van de cinema die uiteenvalt. Samen met Persona verschijnen in de Ingmar Bergman Collectie nog twee vrij onbekende titels uit een oeuvre dat een vijftigtal films omvat: Geheimen van vrouwen, waarmee hij op het thuisfront zijn eerste commerciële succes oogstte, en Het oog van de duivel, dat tot zijn meest theatrale en gekunstelde werkstukken behoort. Beide interessant om Bergmans evolutie te volgen. Maar zeker niet te vergelijken met de 'schok' van Persona. Patrick Duynslaegher