WILLIAM BOYD
...

WILLIAM BOYD HAMISH HAMILTON/PENGUIN, 672 BLZ., A 35 Na zijn debuut A Good Man in Africa (1981) werd de Britse romanschrijver, scenarist en kunstcriticus William Boyd vaak in één adem genoemd met hedendaagse sterauteurs als Salman Rushdie, Kazuo Ishiguro, Martin Amis, Ian McEwan en Julian Barnes. Vandaag lijkt die glorie vergaan, maar Boyd kan nog altijd op een erg gevarieerd lezerspubliek rekenen. In zijn werk heeft hij steeds de dunne lijn tussen feit en fictie verkend. Zijn meest beruchte creatie als koorddanser was de verzonnen biografie Nat Tate: An American Artist 1928-1960 (1998). Het boek over een abstract-expressionistische kunstenaar was zo overtuigend dat heel wat befaamde kunstkenners lange tijd dachten dat Tate echt bestond. Bamboo is de eerste bundel van Boyds non-fictie en verzamelt zowat de helft van wat hij in de afgelopen drie decennia aan dergelijk werk bijeenschreef. Zeven brede onderwerpen leveren de titels voor de hoofdstukken: 'Life', 'Literature', 'Art', 'Africa', 'Film', 'Television' (Boyd schreef de scripts voor twee verfilmingen van eigen werk en heeft een dozijn scripts voor de BBC op zijn palmares staan), en 'People and Places'. Het boek levert een heterogene, vluchtig boeiende, maar in zijn totaliteit best imposante mix van reflecties, over bekende namen als Ernest Hemingway, Anthony Burgess, Charlie Chaplin of over obscure films als Electra Glide In Blue. Boyd schrijft over zijn kindertijd in Afrika of over het raadsel zelf dat 'Afrika' heet, over zijn eerder moeilijke wording tot romanschrijver en over zijn ervaring met de filmindustrie. De stukken zijn vaak erg kort, niet meer dan wat haastig opgetekende herinneringen, en de stijl is vaak ergerlijk zakelijk (lees: gewoontjes). Maar als terugblik van een bevoorrecht waarnemer, en precies door zijn wat willekeurige scope, getuigt Bamboo wel van authenticiteit. De titel is ontleend aan een Chinees spreekwoord: 'Plant één bamboescheut, en je snijdt bamboe voor de rest van je leven.' Boyds stukken verraden het voor de schrijver dwingende karakter van zijn reflecties. Als je weet dat hij - zoals hij in het voorwoord tot 'Life' schrijft - zichzelf nooit als een 'autobiografisch' schrijver aanprees, is met deze bundel in elk geval weer de ambiguïteit in zijn verhouding tot feit en fictie bevestigd. Hans Comijn