Nick Kent, Faber and Faber, 416 blz., euro16
...

Nick Kent, Faber and Faber, 416 blz., euro16 Wie die Nick Kent eigenlijk mag wezen? De Zeitgeist-surfing dark prince of seventies rock journalism, natuurlijk! Doorgaans slaat bij ons de buikloop toe telkens als een collega-muziekscribent uit zijn rol valt en zichzelf op een piëdestal hijst, in plaats van het obscure talent dat hij met diezelfde moeite nochtans van de hongersnood had kunnen redden. Als u het al moeilijk hebt met dit mespuntje gezwollen drama, begint u beter niet aan Apathy For The Devil, Kents tweede boek. In 1972 viste het zieltogende muziekblad NME deze verwijfd ogende rietstengel uit de Londense undergroundpers op, in een poging vinger en pols op zijn minst weer wat in elkaars nabijheid te krijgen. Het werkte. Dankzij roemruchte interviews met MC5, Captain Beefheart, Grateful Dead en The Stooges verwierf Nick Kent - een hevige adept van de rauwe, ongeremde stijl van de befaamde Amerikaanse rockjourno Lester Bangs - het aura van wonderkind van de Britse muziekpers. Op zijn 21e was hij zelf een ster. Is zo'n status voor een reporter sowieso ongezond, dan bleek ze tijdens de infame jaren 70 haast dodelijk. Kent zag rockjournalistiek als een action medium, vandaar dat hij zich als een mankend schaap liet opslokken door de lelijkste dieptes van een heroïneverslaving. Tegen het eind van de jaren 70 was de jonge oppergod van het new rock journalism een dakloze junk met als enige resterende bestemming die van ontbindend lichaam in een van de ellendige pakhuizen van het grauwe Londen. Tot hij zich met een uiterste mentale krachtinspanning herpakte en - heeft iemand Hollywood al gebeld? - ook nog 's de Heer omarmde. Ziedaar de rode draad doorheen deze tien jaar bestrijkende memoires. Die worden losjes aangedikt met allerlei liederlijke anekdotes: van hoe Keith Moon door het raam de hotelkamer binnentuimelde waar Kent en Led Zeppelin cocaïne zaten te snuiven, tot die keer waarbij hij door Sid Vicious en Jah Wobble met een mes en een ketting te grazen werd genomen. Toch is deze uitgave niet de draaikolk van sarcastisch, trefzeker rockproza geworden waarvoor het water je na de lectuur van 's mans eerste boek The Dark Stuff al in de mond was gekomen. De afrekeningen met voormalige NME-collega's (de ene stonk, de andere was een pretentieuze kwal) zijn nogal laag, en de puberale pathetiek waarmee Kent zijn affaire met Chrissie Hynde een strik ombindt, grenst gaandeweg aan het onuitstaanbare. Anderzijds: Kent is even ongezouten voor zichzelf als voor alle muzikanten die zijn pad kruisen. En after all: dit blijft toch de man die naar onze mening het definitieve verhaal van Brian Wilson aan het papier heeft toevertrouwd. Apathie of sympathie? Schrijd de boekhandel toch vooral met dat laatste tegemoet. KURT BLONDEEL