Het heeft wat voeten in de aarde om Andrew Miller te bereiken - hij is net van agent veranderd, met de nodige communicatiestoornissen van dien - en wanneer de telefoon aan de andere kant van het Kanaal eindelijk opgenomen wordt, krijg ik een verdacht kinderlijke stem aan de lijn. Beleefd word ik onthaald in 'the Miller residence' en natuurlijk, Andrew is in de buurt. 'Papa, je moet nu aan de telefoon komen, iemand uit België wil je spreken. Nu, papa!' Wat de aardige man ook doet, en neen ik stoor niet, vuur maar af.
...

Het heeft wat voeten in de aarde om Andrew Miller te bereiken - hij is net van agent veranderd, met de nodige communicatiestoornissen van dien - en wanneer de telefoon aan de andere kant van het Kanaal eindelijk opgenomen wordt, krijg ik een verdacht kinderlijke stem aan de lijn. Beleefd word ik onthaald in 'the Miller residence' en natuurlijk, Andrew is in de buurt. 'Papa, je moet nu aan de telefoon komen, iemand uit België wil je spreken. Nu, papa!' Wat de aardige man ook doet, en neen ik stoor niet, vuur maar af. ANDREW MILLER: Wel, eerst en vooral voel ik me niet verplicht om als Brit over typisch Engelse zaken te schrijven - dat is alvast één vrijheid waarover de schrijver beschikt, die om te mogen reizen in de geest. Maar het oorspronkelijke idee heb ik jaren geleden opgepikt uit een boek van Philippe Ariès, Met het oog op de dood (1977), een standaardwerk over begrafenisrites door de eeuwen heen. Daarin stond een klein stuk over een Parijse begraafplaats die ontruimd moest worden, en meteen wist ik: daar zit iets in. Het heeft wel nog jaren geduurd voor dat zaadje ontkiemde. Oorspronkelijk wilde ik er een theaterstuk over maken - de afgebakende setting paste perfect op een podium, zeker met de mist en de rook en die ietwat gotische personages. Ik zag het zo voor me en dus ben ik aan het schrijven geslagen. Alleen ging het tijdperk met me aan de haal: je voelt dat er iets broeit rond 1780 in Parijs, dat er een omwenteling zit aan te komen, en dat werkte tenslotte beter in een roman. MILLER: Zeker, dat was exact mijn bedoeling. Met de graafwerken spit mijn hoofdpersonage, Jean Baptiste, het verleden om en steekt hij uiteindelijk het vuur aan de lont om een stinkend tijdperk te zuiveren. Na de Franse Revolutie werd dan ook gesproken over een nieuwe jaartelling: nu beginnen we opnieuw, dit is het Jaar Nul. Op een basaler niveau waren de Parijzenaars die knekelvelden in het midden van hun stad ook beu - het was gewoon niet hygiënisch. Daarom laat ik dokter Guillotin opdraven. Niet alleen als een voorafspiegeling van de afgehakte koningshoofden, maar ook als een man van de wetenschap, van vooruitgang, iemand die streefde naar betere leefomstandigheden. Of hij er echt bij was? Daar heb ik geen harde bewijzen voor maar het is mijn taak als schrijver om de steekjes die de geschiedenis laat vallen weer aan elkaar te weven. Kerkhoven waren voor medici een natuurlijke habitat in die tijd, als bron van kennis, want lijken om onderzoek op uit te voeren, heb je er bij de vleet. MILLER: Toevallig, hé. Dat is het mooie aan research. Er werkten veel Vlamingen in de mijnbouw rond Valenciennes en het was handig om hen en masse naar Parijs te verhuizen - ze spreken Baptistes taal niet, wat de bevreemding in de hand werkt. In het boek vormen ze bijna één entiteit, een gilde van zwijgende gravers. En ik hou zo verschrikkelijk veel van die Vlaamse namen. MILLER: Ik weet niet hoe het op het vasteland zit, maar Britten lijken op dit moment inderdaad in de ban van het verleden. Zelf verslond ik vroeger ook historische romans, van eenvoudige riddersaga's tot vuistdikke werken over de Verlichting, als er maar kandelabers, kasseien en koetsen in voorkwamen. Anderzijds is het gevaarlijk om er meteen een stroming in te willen zien. Mantel heeft ook eigentijdse romans geschreven - ik trouwens ook -, maar die prijzen creëren soms tunnelvisie: alleen die ene roman wordt nog belicht, en de rest van het oeuvre verdwijnt in de schaduw. MILLER: Eerst en vooral is het bijzonder aangenaam om prijzen te winnen - no doubt about that - maar toch merkte ik een zekere verontrusting, iets dat me lichtjes uit balans haalde. Met zo'n prijs komen nogal wat verplichte nummers en eigenlijk wilde ik gewoon verder schrijven. Want ik werk nogal traag, doe drie jaar over een roman, en dan telt elke minuut die je niet aan je schrijftafel doorbrengt dubbel. Wat ik bijvoorbeeld graag zou overnemen van Hilary Mantel, is haar schrijfgemak: zij tikt het gewoon rechtstreeks op de computer in. Vergeleken met haar ben ik een knoeier en komt er allerlei gepruts bij kijken. Bijna als een schilder die wat streepjes op een canvas zet om de eerste leegte weg te krijgen. Ik werk ook graag met de hand, zeker in het begin. Wit ongelijnd papier zodat ik alle richtingen uit kan schrijven - van ver ziet het er zelfs uit als een warrige tekening, zo'n knoeiboel is het. Traagheid is bij mij een deugd, maar soms droom ik ervan om mezelf twee maanden in een hotelkamer op te sluiten, als een bezetene te werken om dan als bij wonder naar buiten te stappen met een nieuw boek. But it ain't gonna happen. MILLER: Zoals de criticus Cyril Connolly zei: 'There is no more sombre enemy of good art than the pram in the hall'? Wel, dat dacht ik vroeger ook. Maar kijk, zelfs Connolly kan het mis hebben. Natuurlijk, wat je kwijt bent, is je routine, de vrijheid om naar eigen goeddunken over je tijd te beschikken. Dat, en een hele smak geld. Maar je past je aan, en ik heb de indruk dat ik mijn tijd tegenwoordig nuttiger invul: terwijl ik vroeger veel lummelde, grijp ik nu elk moment bij de lurven en pers er het maximum uit. Dus misschien is het omgekeerd, en motiveren kinderen je juist. Maar dat zijn ongetwijfeld nonsens van een verdwaasde man: ze zijn er nu en ik heb het er maar mee te doen. PUUR Andrew Miller, Xander (originele titel: Pure), 376 blz., ? 19,95. Deze titel maakt deel uit van de Primaverba-actie. Meer info op knackfocus.be/primaverba.DOOR RODERIK SIX'PRIJZEN CREËREN TUNNELVISIE: HILARY MANTEL HEEFT NIET ALLEEN HISTORISCHE ROMANS GESCHREVEN - IK TROUWENS OOK NIET.'