In tien zomers tijd heeft De Coninck, naast commissaris ook woordvoerder bij de Brusselse politie, precies evenveel verhalen rond de hoofdstedelijke no-nonsenseflik Stijn Goris in omloop gebracht. In dat standvastige publicatiepatroon wist hij ook nog een historische thriller te wurmen: Dodendans, dat zich afspeelt in het Veurne van de Eerste Wereldoorlog. Voor de joviale Brusseleir gaat het in de laatste jaren voor zijn pensioen even hard als de ventilator die in zijn kantoor in het commissariaat aan de Kolenmarkt de hittegolf van het jaar poogt te bestrijden. Ik ontmoet De Coninck naar aanleiding van het kraakverse De daikonkweker: een omgekeerde whodunit, want de lezer krijgt de naam van de moordenaar meteen in het eerste hoofdstuk.
...

In tien zomers tijd heeft De Coninck, naast commissaris ook woordvoerder bij de Brusselse politie, precies evenveel verhalen rond de hoofdstedelijke no-nonsenseflik Stijn Goris in omloop gebracht. In dat standvastige publicatiepatroon wist hij ook nog een historische thriller te wurmen: Dodendans, dat zich afspeelt in het Veurne van de Eerste Wereldoorlog. Voor de joviale Brusseleir gaat het in de laatste jaren voor zijn pensioen even hard als de ventilator die in zijn kantoor in het commissariaat aan de Kolenmarkt de hittegolf van het jaar poogt te bestrijden. Ik ontmoet De Coninck naar aanleiding van het kraakverse De daikonkweker: een omgekeerde whodunit, want de lezer krijgt de naam van de moordenaar meteen in het eerste hoofdstuk. CHRISTIAN DE CONINCK: (schudt het hoofd) Eerlijk gezegd weet ik nóóit hoe mijn boeken zullen eindigen. Ik vertrek vanuit een titel, en onderweg verandert mijn einde misschien twee, drie keer. Ik schrijf mijn scenario gewoon met het boek mee. Om het overzicht te behouden. Want het is me al overkomen dat ik eenzelfde personage met twee verschillende voornamen had bedacht. Daarom laat ik een boek, voor het naar de uitgeverij vertrekt, door verschillende mensen nalezen. Iemand uit het korps, een cardioloog-spoedarts die op de medische details let en ook een gepensioneerde onderwijzer, die de taalfouten eruit haalt. DE CONINCK: Inderdaad. Ik tik en tik maar, en dan mag ik het nog tien keer herlezen, die fouten zie ik niet. En de woordcorrector ontdekt geen dt-fouten. DE CONINCK: O, maar dat is reëel, hoor. Die man, Martin Raymaekers, is door haar geobsedeerd. Maar hij is getrouwd en moet steeds opletten dat zijn vrouw hem niet betrapt terwijl hij naar die dame zit te gapen. Zoals een puber die bang is dat zijn moeder zijn slaapkamer binnenkomt. Wanneer haar zonnebed stukgaat, doet zich plots de kans voor om contact met haar te leggen. Zijn vrouw is niet thuis, haar man is op zakenreis. Wanneer de buurvrouw hem afwijst, wordt hij geconfronteerd met zijn fysieke onaantrekkelijkheid en slaat hij door. Dat merk je vaak bij seksuele delinquentie: eerst obsessie, contact proberen te leggen, afgewezen worden. Daarna volgt meestal stalking. Met dat laatste kon ik niets doen, of ik had geen verhaal. DE CONINCK: O, ik schrik nog altijd van hetgeen waartoe de mens in staat is. Als ik lees wat IS doet, dan denk ik: de nazi's kwamen nog niet tot aan hun knieën. Maar zelfs hier in Brussel vind ik dat de mensen gewelddadiger geworden zijn. Toen de politie vroeger bij een vechtpartij tussenkwam, trokken ze iedereen uit elkaar en was het gedaan. Nu beginnen ze tegen de politie te vechten. Mensen die voor een stomme diefstal opgepakt worden, zijn weerspannig. Een drugsdealer aanhouden doe je tegenwoordig niet zonder versterking. En wat die dikke huid betreft: je wordt inderdaad een beetje blasé als je zo veel ellende hebt gezien. Doodgemartelde kinderen, ongelukken met afgerukte ledematen... Maar ik kon het allemaal goed verwerken, ik weet niet goed waarom. Ik ben al bij de politie betrokken van toen ik zes jaar was. Wij woonden aan een druk kruispunt in Jette waar minstens een keer per week wel een ongeluk gebeurde. Dan ging ik altijd kijken. Ik was de zoon van de bakker van de straat, dus die politiemensen kenden mij. Want sommigen onder hen die de nacht hadden gedaan, kwamen 's morgens vroeg al eens aanbellen voor pistolets. (glimlacht) DE CONINCK: Daar heb ik gewoon nooit aan getwijfeld. Niet vanwege een familielid, want ik ben de enige flik in de familie. Ook niet door televisie: in die tijd had je alleen Fabian van Fallada en Kapitein Zeppos. Geen Miami Vice, geen Flikken, geen Criminal Minds. (lacht) Het was een roeping. Als ik de Heilige Geest had ontmoet, was ik nu pastoor geweest. (glimlacht) DE CONINCK: Er zijn wel degelijk mensen die nog altijd in die mooie woorden geloven, aangezien het altijd een kennis van een kennis is die bij een familie aanklopt. Anderzijds zijn er ook meisjes die eenvoudigweg toegeven dat ze al in Roemenië of Bulgarije voor prostitutie hebben gekozen en hier meer willen verdienen. Maar wij jagen op de meisjes die hier binnengebracht worden via mensensmokkelaars, dat is duidelijk. Prostitutie is hier niet strafbaar, pooierschap wel. En er zijn haast geen meisjes of er is een pooier in het spel die al dan niet geweld gebruikt. DE CONINCK: Neen. Oorspronkelijk zou het maar bij één boek blijven. Ik lag in het ziekenhuis, schrijven was bezigheidstherapie. Maar een collega had dat boek, De Praagse connectie, gelezen en vond dat ik het moest laten publiceren. Om van zijn gezaag af te geraken, heb ik het dan maar opgestuurd. Veertien dagen later lag ik onder contract bij Houtekiet. Wat ik vreemd vond, want ik heb mijn manuscript toen bijna helemaal in het rood teruggekregen. (glimlacht) Het was onder handen genomen door dezelfde redacteur die ooit nog bij Manteau met Pieter Aspe had gewerkt, en toen had gezegd: in Aspe zit potentieel. Dat zei hij van mij ook. Maar hij vond dat ik te veel ambtelijke taal gebruikte. De plot was goed en het verhaal oké, maar het las als een proces-verbaal. DE CONINCK: Ik heb die man opgezadeld met een trauma: als kind verloor hij zijn ouders en vervolgens is hij misbruikt. Ik wist niet hoe dat zou evolueren: voor mij zou hij daar altijd mee blijven worstelen, via flashbacks. Maar toen is zijn vrouw Sacha in zijn leven gekomen. Zij vangt hem met zijn introverte karakter op en verandert hem, geeft hem een nieuwe basis. Ze krijgen een kind en zo gaat het verder. Ik vind Stijn Goris, nu hij van zijn demonen af is, in feite een doodnormale familieman. DE CONINCK: Neen. Hoogstens stukjes en beetjes. Net zoals ik eet hij graag, veel en lekker, en is hij choleriek. Maar verder is hij vooral een samenraapsel. Bij andere personages is het duidelijker naar wie ze verwijzen: Freddy Fieremans, bijvoorbeeld (naar de Brusselse burgervader Thielemans, nvdr). Korpschef Guido Van Wijnberghe zit hier gewoon in het laatste bureau links en Michelle Vranckx, hoofd zeden en drugs, aan de overkant. Waarom zou ik mensen moeten uitvinden als ik fantastische collega's in die rol heb? DE CONINCK: Hm, dat is het niet echt. Maar ik word inderdaad wel druk gelezen. En ik krijg veel feedback van mensen uit andere korpsen, ook vanuit de federale. Gewoon omdat ik zo strikt ben op de omschrijving van de procedures. Zij lezen die grootschalige operatie op het einde van De daikonkweker en zeggen: zo gaat het er in het echt inderdaad toe. DE CONINCK:(lacht) Ja. Let wel: ik reken nooit met iemand af in mijn romans. Dat zal ik wél doen in mijn memoires, als ik gepensioneerd ben. (grijnst) En ik denk dat enkele mensen dan zullen schrikken. Want er ligt toch tamelijk veel op mijn lever. Niet aangaande het korps, maar over wat hierbuiten gebeurt. (zwijgt en knikt veelbetekenend) En wees maar gerust dat ik concrete bewijzen en argumenten zal aandragen, en niet zomaar uit mijn nek zal kletsen. DE CONINCK: Inderdaad. Wij citeren daarvoor graag schrijfster Karin Fossum. Zij beweert zelf dat Scandinavische misdaadauteurs niet beter zijn dan de anderen, maar dat ze wel op een grotere promotiemachine kunnen rekenen. Om maar iets te zeggen: ik ben al verschillende keren naar de Frankfurter Buchmesse geweest. De mensen van de Belgische stand stonden daar gezellig te praten en koffie te drinken. Niet met uitgevers of auteurs, maar onder elkaar. Ga daarentegen als bezoeker de stand van Frankrijk binnen en je wordt direct door twee-drie man besprongen. Ik bedoel maar: er moet een beetje meer dash achter zitten. Er is ook een boekenevenement in De Brakke Grond in Amsterdam. Wij als VVMA wilden daar een stand. De reactie was er een van 'ja, maar...' en dit en dat. Op den duur moesten we bijna ik-weet-niet-hoeveel betalen. Hallo? Ik betaal al genoeg belastingen om dat spel ginder te onderhouden. Sven Gatz was daarvan duidelijk niet op de hoogte. Maar intussen wachten we nog altijd op een antwoord van hem. (sarcastisch) Maar weet je, onze boeken zijn natuurlijk geen literatuur. Het is trash. Bedoeld voor mensen die Het Laatste Nieuws lezen en naar VTM kijken. Welnu, ik ben tróts dat die mensen mijn boeken lezen. Want ik zou niet graag de hoogopgeleiden die dat ook doen te eten willen geven. Dat verwijt ik de pers: als Herman Brusselmans of Tom Lanoye nog maar aan een boek beginnen, staan ze al in de gazet. Niets tegen die mensen, want ik lees hen ook. Maar ik kan me niet meer herinneren wanneer ik nog eens in een gewone krant heb gestaan. Of andere auteurs zoals Hubert van Lier of Ludo Geluykens. Kijk, ik moet hier niet van leven. Maar ons een beetje kenbaarheid geven, vind ik toch echt niet te veel gevraagd. DE DAIKONKWEKER Uit bij Houtekiet. DE MOORDZOMER Knack heeft 30 nieuwe pageturners geselecteerd voor een (ont)spannende zomer. Alle info: demoordzomer.be DOOR KURT BLONDEEL - ILLUSTRATIES KIM DUCHATEAUChristian De Coninck 'IK REKEN NOOIT MET IEMAND AF IN MIJN ROMANS. DAT ZAL IK WÉL DOEN IN MIJN MEMOIRES. EN DAN ZULLEN ER ENKELE MENSEN SCHRIKKEN, WANT ER LIGT TAMELIJK VEEL OP MIJN LEVER.'