Eerste zin Toen ik in de fabriek ging werken / Had ik natuurlijk wel een idee van / De stank / De kou / Het sjouwen en tillen / Het zwoegen / De arbeidsomstandigheden / De lopende band / De moderne slavernij
...

Eerste zin Toen ik in de fabriek ging werken / Had ik natuurlijk wel een idee van / De stank / De kou / Het sjouwen en tillen / Het zwoegen / De arbeidsomstandigheden / De lopende band / De moderne slavernij Er zit niks anders op. De huur moet betaald, de koelkast dient gevuld, en de hond heeft brokken nodig. Dus gaat jeugdwerker Joseph Ponthus in de fabrieken van Noord-Frankrijk werken. Eerst zoeven fishsticks onder zijn neus voorbij, later mag hij slachthuizen kuisen met een hogedrukreiniger en uiteindelijk duwt hij bloederige karkassen door de 'productielijn'. In poëtische zinnen beschrijft hij het moorddadige werk en de monotonie van de lopende band, de onregelmatige uren, de onzekerheid van tijdelijke contracten en de vernietigende impact op zijn lichaam. Dag en nacht ploetert hij door ingewanden en vertrapte uiers, strompelend in de loopgraven van de massaconsumptie. Even denkt hij een voedselschandaal op het spoor te zijn maar na de zoveelste nachtshift is hij te moe om het uit te spitten. De waarheid moet maar wachten tot zijn rugpijn voorbij is. En wie wil voor klokkenluider spelen als je daarmee je eigen inkomen verliest? Ponthus vermengt zijn hymne met oorlogspoëzie en de Franse chansonniers die het leven van de fabriekssoldaten bezingen. Slotsom: een revolutie is broodnodig, maar iedereen is er stomweg te uitgeput voor.