Het ziet er naar uit dat Kunstenfestival Watou opnieuw door het oog van de naald is gekropen. In juni 2016 viel het festival uit de boot voor subsidiëring in het kader van het Vlaamse kunstendecreet: de beoordelingscommissie was niet onder de indruk van de zakelijke en artistieke opzet van het festival, en de organisatie kon fluiten naar de 400.000 euro subsidie. Game over in het dorp aan de schreve, leek het wel, al werd nog een poging ondernomen om via crowdfunding 40.000 euro bij elkaar te krijgen.
...

Het ziet er naar uit dat Kunstenfestival Watou opnieuw door het oog van de naald is gekropen. In juni 2016 viel het festival uit de boot voor subsidiëring in het kader van het Vlaamse kunstendecreet: de beoordelingscommissie was niet onder de indruk van de zakelijke en artistieke opzet van het festival, en de organisatie kon fluiten naar de 400.000 euro subsidie. Game over in het dorp aan de schreve, leek het wel, al werd nog een poging ondernomen om via crowdfunding 40.000 euro bij elkaar te krijgen. Tot er begin maart een oplossing uit de bus kwam: de provincie West-Vlaanderen komt eenmalig met 225.000 euro over de brug, en voor de edities van 2018 en 2019 doet minister van cultuur Sven Gatz (Open VLD) met 135.000 euro hetzelfde. Daarmee is het festival echter nog niet op het droge. Vlaams parlementslid Bart Caron (Groen) noemt de reddingsactie in een blogbericht unfair ten opzichte van andere afvallers, en ook vanuit N-VA-hoek wordt er geprotesteerd. Maar Watou-intendant Jan Moeyaert, die met zijn VZW Ku(n)st sinds 2009 de organisatie van het kunst - en literatuurfestival op zich neemt, toont zich strijdbaar.'Ik ga niet zeggen dat het verdict afgelopen zomer volkomen onverwacht kwam. In 2012 vielen we al eens uit de boot, maar toenmalig cultuurminister Schauvliege (CD&V) viste ons op. Toen kon dat nog', zegt Moeyaert. 'Deze keer was het verdict een dubbele neen, ondanks een goed voorbereid zakelijk en artistiek dossier. Het verweer en het beroep dat we indienden, brachten weinig verandering. Dan begin je te lobbyen om ergens opgevist te geraken, maar dat is politiek veel minder vanzelfsprekend dan vroeger. Dat hangt waarschijnlijk van de coalitie af.' 'De bereidheid van minister Gatz was altijd groot. Ik ben er nog altijd van overtuigd dat hij Watou genegen is, maar misschien niet genegen genoeg.'JAN MOEYAERT: Eigenlijk was er geen redding mogelijk toen het verdict viel. Ik dacht: dan is het de laatste keer. Als er toch een redding kwam, wilden we een perspectief voor minstens drie jaar. Zes maanden lang hebben we gezocht, vergaderd en gekeken naar de mogelijkheden. Die waren niet talrijk. De provincie en de stad dragen voor deze editie het grootste gewicht - voor de provincie is het de laatste keer. Volgend jaar blijft de stad Poperinge een belangrijke partner. Zij verhogen ook al dit jaar hun bijdrage met 25 procent en blijven volgend jaar en het jaar daarna partner. De Vlaamse Gemeenschap heeft schriftelijk beloofd om die twee jaar ook nog eens 135.000 euro bij te leggen. Vanaf eind 2019 is het weer een open verhaal. Hoopvol is dat minister Gatz zegt dat hij bezig is met een regionaal fonds, een soort vervanger van de fondsen die nu nog vanuit de provincies komen, waarin wij een aanvraag kunnen doen voor ondersteuning. MOEYAERT: In 2013 heeft de Vlaamse Gemeenschap 135.000 euro afgehouden van de provincie, maar zij gaven dat terug aan onze organisatie. In wezen een vestzak-broekzakoperatie. Volgens de planning zou dat in 2017 de regel worden, maar dat blijkt nu politiek niet zo snel te lukken. De huidige regeling gaat nog een jaar door en stopt dan. Die 135.000 euro geven ze op Vlaams niveau en gaan ze voor 2018-2019 toezeggen. MOEYAERT: Ja. Zoals de kaarten nu liggen, verhuizen de provinciale middelen voor cultuur naar het Vlaamse regeringsniveau. De belofte is gemaakt dat die gelden in dezelfde regio volgens dezelfde grootteorde gebruikt worden. Alleen zitten die middelen niet meer onder de paraplu van de provincie. Vestzak-broekzak dus. MOEYAERT: Dat is waar en ik ben daar a priori niet tegen. Maar dan moet je zorgen dat je binnen dat systeem een beoordelingscommissie hebt die boven alle verdachtmakingen staat wat betreft objectiviteit en ongebondenheid. Dat is nu niet het geval. Ik kan daar heel feitelijk verbanden en verbindingen in leggen. Je moet ook zorgen voor een overgangssysteem voor organisaties die een njet krijgen, zeker wanneer het gaat om een traditie van 37 jaar die onze voorgangers en wijzelf hebben opgebouwd. Een organisatie die een werking heeft opgebouwd, kan je niet plots zeggen dat het verhaal binnen een halfjaar afgelopen is. Dat heeft veel artistieke, maar ook voor economische gevolgen. Als je cultuur au sérieux neemt als economische macht - en dat doe ik zonder twijfel - dan zorg je er als overheid voor dat organisaties zakelijk en artistiek een tweede adem kunnen vinden. Zomaar het hakmes erin zetten, dat begrijp ik niet. Het Kunstendecreet bedient veel meer dan vroeger organisaties in stedelijk gebied. Oostende, Brugge, Gent, Antwerpen en Brussel vallen zeer dik in de prijzen. Ik weet best hoe dat werkt: wij zijn niet de enigen die lobbyen. Als regiospelers van de Westhoek krijgen wij in die cenakels geen kans. Politiek wegen we niet zwaar genoeg door om dat patroon te doorbreken, net als Limburg. Als je als minister stelt dat het een keuze is om ook die zwakke regio's te ondersteunen en in de praktijk is dat niet het geval, dan heb ik vragen bij dat systeem. Bezoekerscijfers zijn niet het ultieme argument voor ons voortbestaan, maar we gingen wel van 6.000 naar 24.000 bezoekers in acht jaar tijd. Dat is ook omdat je artistiek een aantrekkelijk verhaal brengt voor meer mensen. MOEYAERT: Ja. MOEYAERT: Ik denk niet dat het artistieke aspect of onze toegankelijke insteek de doorslag hebben gegeven. Maar het feit dat de Westhoek weer een opdoffer krijgt, dat het stadsbestuur van Poperinge panikeert en de horeca hen onder druk zet, mag je niet onderschatten. Als er twee jaar lang niets gebeurt tijdens de zomer, blijven de toeristen weg. En dat voelt de lokale economie. We verdedigen ons vanuit de sector niet genoeg met concrete cijfer. Het is zever dat de cultuursector niet zou weten waarover het gaat, dat we enkel leven van subsidies. Wij weten meer dan eender welk economisch bedrijf dat geld het begin van alles is. De helft van onze middelen komt uit subsidies. De rest bestaat uit eigen inkomsten, zoals ticketverkoop, catalogusverkoop, shop, privésponsoring, enzovoort. We hebben nu een kaskrediet lopen van 120.000 euro waarvoor mijn vrouw en ik borg staan. Het is al eens 300.000 euro geweest. De restsubsidie van vorig jaar, 10 procent, hebben we nog tegoed. Je zit met een personeelsbestand dat een opzegperiode heeft. Als je plots zonder geldbron zit, dan heb je veel geld nodig om aan je wettelijke verplichtingen als werkgever te voldoen. Een van de meest jammere aspecten van het njet in 2016: we hebben onze jonge ploeg, die enkele jaren ervaring had, moeten afbouwen. Dat is niet leuk voor hen, maar ook voor ons is het moeilijk om die werking opnieuw in orde brengen. MOEYAERT: Ik denk dat, soms. Ik weet niet of de politiek van de artistieke inhoud en het verhaal wakker ligt. Nogmaals, in de twee jaar dat ik minister Gatz soms stalk, heb ik de indruk gekregen dat hij Watou oprecht genegen is. Maar hoeveel dat mag kosten en wegen, weet ik niet. Van Anciaux, Schauvliege en Gatz, heeft Gatz de minste achtergrond in elitaire cultuur. Dat vind ik helemaal niet erg, als dat relativerend vermogen er maar is. Cultuurministers komen zo vaak in contact met hoge spelers, intellectueel hoogdravende beoordelaars. Het is goed dat je als minister daar niet meteen in meeloopt. MOEYAERT: Die loopt nog. We hadden 40.000 euro vooropgesteld. We zitten nu op iets meer dan 24.000 euro. Eenmaal de aandacht voor zo'n actie verslapt, gaat het traag, maar ik ben blij dat het is wat het is. Het is geen wonderoplossing. MOEYAERT: Mijn eerste reactie was: de boom in. Ik ben oud genoeg om geen goesting meer in iets te hebben. Ik doe wat ik graag doe: verhalen verzamelen die de moeite zijn om te presenteren. Eenmaal ik ze heb, geniet ik van de herkenning en erkenning van mensen. Watou is een historisch gegeven, een merk. Niet enkel dankzij ons, ook dankzij onze voorgangers. Je kunt niet zomaar iets anders gaan doen. Naar Watou afzakken vanuit Gent, Antwerpen of Nederland is niet evident als je niet meer weet wat je mag verwachten. We willen ons publiek niet bedriegen. MOEYAERT: Als er nu plots een kandidaat opduikt, zou ik zeggen: wel, ze mogen het hebben.Ik ben ervan overtuigd dat veel mensen niet begrijpen wat het vraagt om zo'n festival elk jaar opnieuw te doen bougeren. Als er een opvolger komt - dat zal ooit moeten gebeuren - dan moet die daar evenveel tijd en energie in investeren, anders zal het niet lukken. De voorbije tien jaar zijn mijn vrouw en ik nooit langer dan een week op vakantie geweest. Eén keer gingen we voor een week naar le Nord, maar na twee dagen kreeg ik telefoon: sociale inspectie in Watou! Toen zijn we maar teruggekeerd (lacht). MOEYAERT: De thematiek waar we rond werken is allenigheid en ondraaglijke eenzaamheid. De puzzel is nu in elkaar aan het vallen. Ik ga niet besparen op artistieke budgettering, wel op andere lijnen: locatiegebruik, personeel, transport, communicatie ... Hier vijf procent, daar tien. Ik ben heel tevreden met onze artistieke longlist. MOEYAERT: Wordt aan de Vooruit of de Singel of Bozar gevraagd om hun concept te veranderen? Ze leggen elk hun eigen accenten, maar in de kern doen ze steeds hetzelfde. Wij zouden om de drie jaar moeten veranderen van festival.Ik sta achter het gegeven van Watou en het Watou-gevoel. Een echte sympathisant weet wat ik bedoel. Ik ben niet de grootste beeldenstormer en wil niet ieder jaar het concept en de materie veranderen. Zolang we voelen dat ons publiek groeit en dat het tevreden is, is het goed voor mij. Ik wil ook niet om de drie jaar een nieuw publiek hebben. Als wat wij doen niet trendy of hip is, so be it. We hebben iets speels naar Watou gebracht, met af en toe iets in de diepte. Ik geloof daar nog altijd in. Als een opvolger iets nieuws wil doen dat het elitair denkende kunstwereldje aantrekkelijk vindt: in Watou werkt dat niet, in Brugge en Gent bijvoorbeeld wel. Er wordt vaak zo betuttelend over ons gesproken. Toen Jan Hoet Junior twee jaar geleden een kunstenparcours organiseerde, kreeg dat meteen een ander aura dan het Watou-aura. Wij zitten blijkbaar in een ander segment. Dat vind ik frustrerend. Dat is te ver van objectief oordelen. MOEYAERT: Noem het mijn donquichotgevoel. Ik kom uit de onderwijswereld, in 2002 ben ik deze sector binnengerold. Het snobisme in de kunstensector is groot. Het heeft soms meer met commerce te maken dan met iets anders. Ik heb ook de commissies eens uitgepluisd die over de verdeling van de subsidies gaan, en hun linken met vzw's en bestaande etablissementen. Je moet geen Calimero zijn om te zien wat er gebeurt. Kunst heeft niets te maken met elitair gedoe. Ik weet meer dan vroeger wat goede kunst is, maar eigenlijk weet ik nog altijd niet veel. Waarom selecteer je bepaalde dingen wel en andere niet? Soms breng ik bewust grote namen. Omdat ik die goed vind, maar ook omdat ze goed passen in het totaalverhaal, omdat het trekkers zijn. Maar er zitten ook veel beginners en niet-bekende mensen in het parcours. Vandaag bepaalt de commissie wat de norm is. Zij zeggen: Watou is te toegankelijk. Zij vinden dat niet goed. Sommige commissieleden kwamen deze zomer, nota bene nadat ze onze middelen hadden drooggelegd, bij de suppoosten gratis toegang eisen tot het festival - ze waren toch immers commissielid? Dat gezegd zijnde: Mark Manders zit dit jaar in onze selectie. In het wereldje staat die hoog aangeschreven. Als ik er zo tien selecteer, dan zijn ze in Brussel tevreden. MOEYAERT:(gedecideerd) Neen. Dan is het voor iemand anders. Dat belet me niet om te vechten voor hetgene waarin ik geloof. Anders interesseert het me niet. Er is veel ons-kent-ons, ook binnen de administratie, en wie binnen dat netwerk een poot binnen heeft wordt anders gehonoreerd. Ik heb efficiënt leren lobbyen in de afgelopen jaren, maar ik zit niet in het netwerk en ik ga niet naar vernissages. Integendeel, af en toe zeg ik iets wat slecht valt. Het publiek zal het eindoordeel wel vellen. Als 99 procent het goed vindt en 1 procent niet, dan zijn er genoeg mensen die het wel de moeite vinden. MOEYAERT: We zijn nu ook geen Plopsaland, hé. Het is irritant en vermoeiend dat we in dat hokje worden gestoken. Maar dat blijven herhalen en ons geen kans geven, is niet goed. MOEYAERT: Je moet eens met Bart Caron rond de tafel zitten en kijken hoe het komt dat zes maanden voor de commissie een oordeel heeft gevormd, er in Oostende al verbindingen waren tussen de cultuurcentra Vrijstaat O en De Werf voor een fusie. Nadat de commissie haar besluit heeft genomen, mag er blijkbaar niets meer herdacht of herzien worden, maar anderen mogen dus wel pistes opzetten waarmee ze quasi zeker zijn van goedkeuring. Ach, iedereen vecht met de wapens die hij heeft. Nadat Gatz me had meegedeeld dat we uit de boot vielen, heb ik rondgebeld en gelobbyd bij elke kleur: CD&V, Open VLD, SP.A, N-VA, Sander Loones, Bourgeois, tot bij de big chief in Antwerpen. Meer dan telefoons en woordjes komen daar niet uit. Dat heb ik er niet voor over. MOEYAERT: Ik denk het wel. Ze moeten nog tekenen, maar daar kunnen ze echt niet onderuit. Financieel moet ik dit jaar 80.000 euro zien te besparen op een budget van 700.000 euro. Dat is doenbaar: de locatie 'Oud Gemeentehuis' valt bijvoorbeeld weg. Het parcours was wat lang geworden, ook door die optredens tijdens het weekend. In die zin verwachten we weinig kritiek van ons publiek. Voor de volgende jaren moeten we nog eens 25 procent vers geld vinden, of verder besparen. Maar het is wel een perspectief. MOEYAERT: Ik ben er nu 62. Het was de bedoeling om in de komende vijf jaar de werking in een stabiele financiële en organisatorische context over te dragen aan een ingewerkte ploeg en rustig uit te bollen. Watou organiseren is een veelkoppig, aaibaar monster. Je moet het al heel erg graag doen.