In glorieus Technicolor en begeleid door zeemzoete melodieën toont Rock Hudson - met zijn gladde grijns en knappe kop - zijn tegenspeelster Jane Wyman een verbouwde schuur in het midden van een sneeuwlandschap. Binnen knettert de haard en vult de kamer zich via het gigantische raam met blauw licht. Picturaler dan deze wonderlijke winterromantiek kan haast niet. Beiden praten vol pathos over hun verboden liefde - zij is een brave burgerdame en weduwe, hij haar stukken jongere tuinman. 'Can't you see it's impossible?' vraagt Wyman. 'No, this is the only thing that matters', repliceert Hudson vol emotie. Wat volgt, is een hollywoodiaanse filmkus voor de eeuwigheid, getekend Douglas Sirk.

Als bovenstaande scène uit de smachtende klassieker All That Heaven Allows (1955) veel wegheeft van een bombastisch stationsromannetje dat naar het grote scherm werd vertaald, dan heeft Sirk zijn doel niet gemist. Toch toverde hij met artificiële kleuren en sets, blonk hij uit in romantische plots die alle realisme tartten en rekte hij alle mogelijke conventies die in de jaren vijftig in Hollywood golden.

Vandaag blijken zijn films bovendien subversieve commentaren op de Amerikaanse droom. Wat de gevierde toneelschrijver Tennessee Williams o zo serieus nam, kneedde Sirk subtiel om tot glossy satire. Het was een conservatieve tijd waarin de Hollywoodkast nog stevig was dichtgetimmerd en van multiculturaliteit geen sprake was, maar met zijn weldadige oeuvre - en zeker de films met fetisjacteur Rock Hudson - ging Sirk geen taboe uit de weg.

Het is vandaag onmogelijk om pakweg Written on the Wind (1956) niet te lezen als een verhaal over homoseksuele jaloezie. Geen wonder dat cineast Todd Haynes in Carol (2015) - over lesbische liefde - en Far from Heaven (2002) openlijk de stijl en slinkse kritiek van Sirk honoreert. Die laatste is zelfs een halve remake van All That Heaven Allows, net zoals Angst essen Seele auf (1973) van Sirks artistieke petekind Rainer Werner Fassbinder. Beide regisseurs zijn stevig beïnvloed door zijn vrouwelijke personages en stellen vragen bij de positie van de vrouw thuis en daarbuiten. Volgens Fassbinder draaide Sirk zelfs de tederste films die hij kende: 'Het zijn films die zijn gemaakt door iemand die houdt van mensen en hen niet haat, zoals wij dat doen.'

Kleurrijke klassieker van Douglas Sirk. All that Heaven Allows (1955).

Pedro Almodóvar, nog zo'n devote Sirk-fanaat, zag Written on the Wind wel duizend keer en dat heeft invloed gehad op zijn kleurrijke, empathische cinema met zijn focus op complexe vrouwelijke rollen, holebi- en gendergelijkheid. Todo sobre mi madre (1999) is Pedro door de lens van Douglas. Sirk is trash zonder garbage te zijn. Het is unieke en sociaal relevante camp - iets waar ook John Waters flink wat van opgestoken heeft. Zijn Pink Flamingos (1972) en Hairspray (1988) zijn hyperbolische gayfilms die zelfs nooit hadden bestaan zonder Sirk.

Maar meer nog dan een influencer op het vlak van cinema, is deze melomaestro uit Hollywoods gouden tijdperk de rechtmatige inspirator van zowat elke, zichzelf respecterende tv-soap. Geen Dallas, Mooi en meedogenloos, Gossip Girl en zelfs geen Keeping Up with the Kardashians zonder die geweldig opgeblazen emoties, seksuele intriges en sierlijk van de pot gerukte plots van Sirk. Dat Franky nu Kaat heet in Thuis is in die zin aan hem te danken, al hebben ze ten huize Bomans allicht nog nooit van de man gehoord.

***

Nochtans stond een Hollywoodlegende worden niet in de sterren geschreven voor Hans Detlef Sierck, in 1897 geboren in Hamburg uit Deense ouders. Zijn carrière begon hij in het theater, tot zijn reputatie ter ore kwam van de UFA Studio's, die in handen kwamen van de nazi's.

Zelfs minister van Propaganda Joseph Goebbels bleek te zwijmelen bij Siercks patriottische films. Tenminste: tot die uit de gratie viel door zijn tweede huwelijk met een Joodse vrouw. Siercks eerste echtgenote - een actieve nazisympathisante - waakte erover dat hun zoon zijn vader nooit meer zou zien. Sierck Jr. kwam om aan het front in WO II, een tragedie die de cineast later zou laten doorsijpelen in A Time to Love and a Time to Die (1958). Noodgedwongen vluchtte hij voor het Hitlerregime en via omzwervingen in Zwitserland en Nederland belandde hij, in navolging van Fritz Lang, Ernst Lubitsch, Billy Wilder en zoveel andere Europese topregisseurs, in de Verenigde Staten.

Kleurrijke klassieker van Douglas Sirk. Written on the Wind (1956).

Daar ontpopte hij zich als de ongekroonde koning van het melodrama, maar niet zonder zich eerst aan andere genres te wagen. Zelf noemde hij A Scandal in Paris (1946) zijn beste werk, een kleine film noir waarin de invloed van collega-emigrant Ernst Lubitsch duidelijk doorsijpelde. Het bracht hem op de radar van Universal, dat in Sirk de ideale man zag om lucratieve komedies te draaien. Maar de slimme regisseur boog de habbekratsscenario's die hij van Universal kreeg - hij noemde ze pieces of trash - om tot de nu geprezen smakelijke en ironische melodrama's.

Toch kwam die perceptie, en de welverdiende erkenning, er pas jaren later, toen nouvelle-vagueprofeet Jean-Luc Godard hem in de jaren zestig omschreef als auteur, toen de eerste feministen hem omhelsden voor zijn progressieve houding tegenover vrouwelijke personages en toen historicus en biograaf Jon Halliday hem in een interviewboek op een voetstuk plaatste. Later zouden ook Fassbinder, Waters, Haynes en Gus Van Sant zich als loyale fans outten. Maar daarmee stopt de Sirk-cultus niet. De cinema van François Ozon en zelfs Kathryn Bigelow bewijzen dat zijn hyperrealisme en bijna vrouwelijke nuance blijven voortleven in de eenentwintigste eeuw.

***

Sirk beleefde zijn creatieve hoogdagen bij Universal in de periode tussen 1952 en 1959. Ondanks het vaak beperkende studiosysteem en de conservatieve zeden slaagde hij erin om buiten de lijntjes te kleuren zonder dat iemand daar aanstoot aan nam. Toch is hij veel meer dan een schilder van grootschalige emoverhalen, iets wat zijn muzikale komedies ( Slightly French, 1949), kloeke oorlogsfilms ( Battle Hymn, 1957) en 3D-western ( Taza, Son of Cochise, 1954) aantonen.

Kleurrijke klassieker van Douglas Sirk. Imitation of Life (1959).

Maar waarin Sirk echt excelleerde, en wat hem tot vandaag relevant maakt, zijn de fenomenale melodrama's die hij in de fifties met brede stroken tegen het canvas borstelde. Het zijn zelfbewuste verfbommen, met een berekende mise-en-scène en emoties die zo gepimpt worden dat ze zelfs Ridge en Brooke uit The Bold and the Beautiful zouden doen duizelen. Bovendien vormen ze een doorlichting van het Amerika onder president Eisenhower. Racisme, identiteitscrisis, religie, seksuele onderdrukking, disfunctionele familierelaties: het passeert allemaal de revue in het oeuvre van Sirk, die al woke was toen de meesten nog languit lagen te soezen.

Anno 2019 is het dan ook bijna ondenkbaar of zelfs pijnlijk dat het publiek midden vorige eeuw zo blind was voor zijn intelligente steekspel tegen het conformisme van blank, bemiddeld Amerika. Met de blik van een Europeaan, zonder wrok tegenover zijn tweede thuis (in tegenstelling tot bijvoorbeeld UFA-collega Fritz Lang), parkeerde Sirk zijn cinema tussen populair entertainment en weerspannige, subversieve filmkunst die zijn ware gelaat handig verbergt, zoals ook zijn fetisjacteur Rock Hudson en zijn vriend en huisproducer Ross Hunter tijdens hun carrière nooit voor hun ware (homoseksuele) geaardheid uitkwamen.

***

Het leverde hem in de filmannalen alvast het adjectief 'sirkiaans' op. Daarmee doelt men niet alleen op de heikele thema's die hij aankaart, zoals aloude Amerikaanse familiewaarden in Magnificent Obsession (1954), een verhaal over een flamboyante playboy die zich ontfermt over een doktersweduwe. Of rassendiscriminatie in Imitation of Life (1959), over de spanningen tussen een zwarte dienstmeid, haar dochter die kan doorgaan voor wit en haar werkgeefster, een blonde actrice. De klassieke wereld van Sirk is er een van artificieel licht, van spiegels die de personages confronteren met hun crisis of getroebleerde emotionele toestand, van welgemikte kleurschakeringen, van valse buitendecors die hij vaak van andere Universal-films jatte en van sensuele, soms zelfs wulpse personages die hun seksualiteit tegen beter weten in vaak in toom houden.

Hij gaf de 'vrouwenfilm' of de weepie een geheel nieuwe look en inhoud, met sinistere en melancholische achtergronden, met impotente of verdoken homoseksuele mannen en met lijdende (of leidende) vrouwen die verdrinken in expressionistische kleurenbaden. Een van zijn mantra's was: 'There is a very short distance between high art and trash, and trash that contains an element of craziness is by this very quality nearer to art.' We horen het Almodóvar, Waters, Van Sant, de TimesUp-beweging en desnoods zelfs Kaat en Franky tot hier en nu beamen.

Rock Hudson, één met de films van Douglas Sirk

Van 3/6 tot 26/8 in Cinematek, Brussel. Info: cinematek.be

Douglas Sirk

Geboren in 1897 in Hamburg als Hans Detlef Sierck, uit Deense ouders.

Vluchtte in 1937 voor het naziregime omdat zijn tweede vrouw Joods was. Na passages door Zwitserland en Nederland settelde hij zich in de VS.

Werd in 1971 volledig geherwaardeerd na de publicatie van John Hallidays interviewboek Conversations with Sirk.

Had het niet helemaal begrepen op Gone with the Wind-ster Clark Gable: 'That face of a tomcat. What did people see in it?'

Werd vreemd genoeg nooit genomineerd voor een Oscar, maar regisseerde wel vijf acteurs naar een nominatie, onder wie Dorothy Malone (die zelfs won!) in Written on the Wind (1956).

Keek nooit naar zijn afgewerkte films omdat hij daar depressief van werd.

Maakte met zijn laatste film Imitation of Life (1959) de meest succesvolle Universalfilm tot dan.

Overleed in 1987 in Lugano, Zwitersland.