Ik was de laatste tijd op heel wat film- en tv-evenementen. Nu ja. Twee. Maar dat leek al heel wat. Soms was dat heel leuk, soms was het doen alsof ik een Japanner versta in een druk Frans restaurant waar ze Engels praten op Duitse toon.
...

Ik was de laatste tijd op heel wat film- en tv-evenementen. Nu ja. Twee. Maar dat leek al heel wat. Soms was dat heel leuk, soms was het doen alsof ik een Japanner versta in een druk Frans restaurant waar ze Engels praten op Duitse toon. Op festivals en beurzen zijn natuurlijk ook altijd workshops over dingen die enkel interessant zijn voor de mensen uit de industrie.Maar een van de workshops die ik zag passeren, ging over het verschil tussen schrijven voor film en schrijven voor televisie. Ik kan daar, denk ik, heel kort over zijn. Het eerste is iets van het verleden, het tweede van het heden en de toekomst. Mocht ik de presentatie hebben gegeven, ze had dus niet lang geduurd. Mijn dochter, die ik door bovenstaande evenementen langer dan me lief is in de steek heb moeten laten in het charmante probleemland Italië, liet me weten dat ze naar de film Hotel Transylvania 3 was gaan kijken. Dat was haar goed bevallen. Haar achtjarige overtuigingskracht is overigens de enige reden waarom ik nog in een filmzaal kom. Ik heb de laatste jaren dus alleen Disneys, Pixars en soortgenoten gezien. Wel tof. Het is en blijft iets magisch. Dat grote scherm, het gebrek aan daglicht, het razende geluid. Fantastisch. Mocht ik in een stad wonen, ik zou wel vaker naar de cinema gaan, denk ik. Het gaat me dus niet zozeer meer over de klassieke klachten omtrent popcorn, dure tickets of luide tieners. Dat zijn nu eenmaal drie elementen des levens waar je mee te leren leven hebt. Het gaat me veel meer over de vertelling binnen dat formaat van 90 tot 120 minuten. Het feit dat het daarna dan ook gedaan is. Dat we de personages niet kunnen terugzien. Dat we niet kunnen beslissen om het verhaal verder te volgen, misschien wel tien, twintig of tachtig uur lang. Dat we de wereld van de film maar kort leren kennen, en er dan alweer uit moeten. We zijn zo rotverwend met steengoede fictiereeksen, en ook met misschien iets minder steengoede doch zeer vermakelijke en verslavende producties, dat de film mij niet meer kan overtuigen als kunstvorm. Een goede vriend wil al geruime tijd een film maken en vraagt me vaak: komt dat scenario nog? Het voelt een beetje zoals de plannen om nog eens een cd op te nemen met mijn ex-hardcoreband, of nog eens een liedje op te nemen van de radio. En ik vind dat eigenlijk heel spijtig. Mijn liefde voor film stuwde mij naar de filmschool, ik keek in die jaren lang niet zo veel films als de echte hardcore bezetenen die er ook rondliepen, maar wel honderden. Drie per dag was geen uitzondering. En ik hou er zo van. Heb gehuild met scènes, voor een paar seconden de wereld begrepen dankzij films, en de diepste en zwartste kant van de liefde gezien in de laatste scènes van La strada. Daarom is het lang niet met plezier of leedvermaak dat ik me naar televisiefictie richt, maar wel omdat iets kunnen vertellen in tien uur lijkt op het schrijven van een hele dikke roman die mensen nog weten te vinden en vervolgens ook lézen. En de film, daar kijk ik precies zo naar als naar die roman, namelijk als een mooie herinnering aan hoe het was.