Ik was een alleen-kind. Niet dat ik eenzaam was, maar wel vaak alleen. Gelukkig waren er boeken. Ik heb er veel gelezen. Het was een manier om me te verliezen in een wereld waar ik deel van wilde uitmaken, of die ik op z'n minst wilde kennen. Een manier om mannen en vrouwen te ontdekken die ten dienste van een stevig verhaal onmogelijk of innemend waren - en het liefst allebei. Ik las Bart Moeyaerts Duet met valse noten en voelde maar de helft van de pijn, de helft ook van de liefde van Liselot en Lander. Later probeerde ik vruchteloos om een van De ingewijden te zijn van Hella S. Haasse, en nog later meende ik in mezelf een mannelijke v...

Ik was een alleen-kind. Niet dat ik eenzaam was, maar wel vaak alleen. Gelukkig waren er boeken. Ik heb er veel gelezen. Het was een manier om me te verliezen in een wereld waar ik deel van wilde uitmaken, of die ik op z'n minst wilde kennen. Een manier om mannen en vrouwen te ontdekken die ten dienste van een stevig verhaal onmogelijk of innemend waren - en het liefst allebei. Ik las Bart Moeyaerts Duet met valse noten en voelde maar de helft van de pijn, de helft ook van de liefde van Liselot en Lander. Later probeerde ik vruchteloos om een van De ingewijden te zijn van Hella S. Haasse, en nog later meende ik in mezelf een mannelijke versie van Lanoyes Goddelijke monster te herkennen. Maar nergens las of was ik die onzekere jongen, die alles wilde voelen voor een jongen die al net zo onzeker was. Op papier was ik niemand die iemand is: onaantrekkelijk als uitgangspunt voor een romanfiguur en in de uitwerking van het verhaal meestal emotioneel stukgemaakt. Ik bleef zoeken naar boeken met mensen die ik wilde zijn of die me bestaansrecht gaven. Met een steelse, als verboden beschreven blik of - stel je voor - aanraking, schoot ik niet veel op. De jaren verstreken, tot ik me in het voorjaar van 2012 een boek liet aanpraten door een collega die nooit veel moeite heeft met overtuigen. En zo gebeurde het dat ik, onder een oude boom aan een zomerhuis met zwembad in de buurt van Nice, de eerste bladzijde van Noem me bij jouw naam opensloeg. Met mijn ogen dicht was ik zo in het Italië van André Aciman. Crema, in het noorden van de laars, waar de winters koud en de zomers heet zijn en waar een prachtig huis staat dat in die warme zomermaanden dienstdoet als vakantiehuis van de familie Perlman. Vader, moeder, kind, huishoudhulp en vrienden die het leven nemen zoals het bij veertig graden komt in de huiselijke kring van een professor: boeken lezen, muziek savoureren, ouwehoeren bij lekker eten en dansen tot het ochtend wordt, op een soundtrack van de jaren tachtig. Ook uitgenodigd in het boek: een zelfverzekerde Amerikaanse student literatuur die een zomer onder de vleugels van vader Perlman komt schuilen om slimmer te worden. Wat hij leert, is alles wat hij nog niet wist over De Liefde: de onverkwikkelijke fase van aantrekken en afstoten en de lust waar je niets mee doet om niets en vooral niemand kapot te maken. Een hunkering die door Aciman zeer precies wordt beschreven tegen de achtergrond van een vakantiegevoel dat je nooit meer wilt loslaten. Het verzet breekt uiteindelijk en de overgave is totaal. Het is het soort liefde dat denkers bij een slechte afloop maar één keer overkomt, omdat de schade onoverzienbaar is, maar net daarom is ze zo aantrekkelijk. Een verhaal over de liefde tussen een jongen van 17 en een jongen van 24. Niets meer, maar vooral niets minder. Een verhaal dat ik graag had gelezen toen ik zelf nog een tiener was, een tiener die de hunkering die ik voelde voor mijn vriend als verkeerd ervoer. Maar ik ben blij dat het boek - en bij uitbreiding de film - er nu zijn. Zo ben ik eindelijk iemand die ook op papier iemand is.