Zijn tentoonstelling Till the End of the World in het Amsterdamse filmmuseum EYE is nog maar net ten einde of Béla Tarr (1955) wordt alweer elders verwacht. In Gent dan nog, waar hij de eretitel van Magister Artium Gandensis in ontvangst mag nemen. Dat is een erkenning die KASK en HoGent sinds 2010 geven aan 'een persoon die zich verdienstelijk gemaakt heeft in de kunsten'. Eerder kregen jazzmuzikant John Zorn en Engels-Italiaans kunstenaarsduo Gilbert & George die titel. En nu is het dus aan Béla Tarr.

Maar er is meer: speciaal voor de gelegenheid zal KASKcinema Béla Tarrs zevenenhalf uur durende magnum opus Sátántangó (1994) vertonen - tot drie keer toe zelfs, weliswaar met twee plaspauzes per vertoning. Maar waarom zou iemand zich in godsnaam zo lang in een bioscoop willen opsluiten? Hierom!

Sombere allegorie

Dat Béla Tarr wereldwijd als een van de invloedrijkste filmauteurs van de afgelopen drie decennia geldt, heeft alles met deze marathonfilm uit 1994 te maken. Hoewel Tarr al op zijn zestiende een documentaire over arme zigeuners draaide, en meer dan twintig jaar later internationaal doorbrak met het zwaarmoedige liefdesdrama Damnation (1988), is het Sátántangó dat hem verzekerde van zijn toegangsticket tot het pantheon der auteurscineasten . De reden? Zijn passie voor de lange, langzame vertelling komt in deze film op adembenemende wijze tot uiting, met dank aan de prachtige, benevelde zwart-witfotografie en de extreem lange opnames.

Niet alleen kleurt Béla Tarrs film zwart en wit, ook het gelijknamige bronverhaal van László Krasznahorkai is van alle kleur ontdaan. Net als hun andere samenwerkingen (Damnation en Werckmeister harmóniák) vangt deze film de kwetsbare condition humaine in lange, taxerende shots. Sátántangó is dan ook een sombere allegorie op sociaal verval, verteld aan de hand van een modderige en drinkende gemeenschap boeren en sjacheraars die uit elkaar valt aan het einde van het Hongaarse communisme. Door het politieke klimaat duurde het bijna tien jaar voordat deze uitzichtloze parabel verfilmd werd.

Crash course

Om de kracht van film uit te spelen en de poëzie van het beeld uit te puren als Béla Tarr, moet menig regisseur tot ver boven de pensioengerechtigde leeftijd doorwerken - met nog veel méér filmuren tot gevolg. Sátántangó is dan ook niet minder dan een crash course in het doorgronden van cinema én van het menselijke bestaan. Voor zevenenhalf uur Béla Tarr kunt u met andere woorden niet sukkelen.

Sátántangó wordt op 6/5 om 10u, op 7/5 om 10u en op 8/5 om 14u vertoond in KASKcinema, Gent. Info en tickets: kaskcinema.be.

Zijn tentoonstelling Till the End of the World in het Amsterdamse filmmuseum EYE is nog maar net ten einde of Béla Tarr (1955) wordt alweer elders verwacht. In Gent dan nog, waar hij de eretitel van Magister Artium Gandensis in ontvangst mag nemen. Dat is een erkenning die KASK en HoGent sinds 2010 geven aan 'een persoon die zich verdienstelijk gemaakt heeft in de kunsten'. Eerder kregen jazzmuzikant John Zorn en Engels-Italiaans kunstenaarsduo Gilbert & George die titel. En nu is het dus aan Béla Tarr. Maar er is meer: speciaal voor de gelegenheid zal KASKcinema Béla Tarrs zevenenhalf uur durende magnum opus Sátántangó (1994) vertonen - tot drie keer toe zelfs, weliswaar met twee plaspauzes per vertoning. Maar waarom zou iemand zich in godsnaam zo lang in een bioscoop willen opsluiten? Hierom!Dat Béla Tarr wereldwijd als een van de invloedrijkste filmauteurs van de afgelopen drie decennia geldt, heeft alles met deze marathonfilm uit 1994 te maken. Hoewel Tarr al op zijn zestiende een documentaire over arme zigeuners draaide, en meer dan twintig jaar later internationaal doorbrak met het zwaarmoedige liefdesdrama Damnation (1988), is het Sátántangó dat hem verzekerde van zijn toegangsticket tot het pantheon der auteurscineasten . De reden? Zijn passie voor de lange, langzame vertelling komt in deze film op adembenemende wijze tot uiting, met dank aan de prachtige, benevelde zwart-witfotografie en de extreem lange opnames.Niet alleen kleurt Béla Tarrs film zwart en wit, ook het gelijknamige bronverhaal van László Krasznahorkai is van alle kleur ontdaan. Net als hun andere samenwerkingen (Damnation en Werckmeister harmóniák) vangt deze film de kwetsbare condition humaine in lange, taxerende shots. Sátántangó is dan ook een sombere allegorie op sociaal verval, verteld aan de hand van een modderige en drinkende gemeenschap boeren en sjacheraars die uit elkaar valt aan het einde van het Hongaarse communisme. Door het politieke klimaat duurde het bijna tien jaar voordat deze uitzichtloze parabel verfilmd werd.Om de kracht van film uit te spelen en de poëzie van het beeld uit te puren als Béla Tarr, moet menig regisseur tot ver boven de pensioengerechtigde leeftijd doorwerken - met nog veel méér filmuren tot gevolg. Sátántangó is dan ook niet minder dan een crash course in het doorgronden van cinema én van het menselijke bestaan. Voor zevenenhalf uur Béla Tarr kunt u met andere woorden niet sukkelen.