Het gaat goed met de Vlaamse cinema. Dat hoor je toch vaak zeggen. Vooral in kringen van de Vlaamse cinema. En het is zeker waar dat men tegenwoordig - anders dan twintig, dertig jaar geleden - kan spreken van een bepaalde continuïteit in de landelijke productie.
...

Het gaat goed met de Vlaamse cinema. Dat hoor je toch vaak zeggen. Vooral in kringen van de Vlaamse cinema. En het is zeker waar dat men tegenwoordig - anders dan twintig, dertig jaar geleden - kan spreken van een bepaalde continuïteit in de landelijke productie. Veel films zijn ook gewoon beter gemaakt dan vroeger, omdat de filmmakers van vandaag nu eenmaal zogenaamde 'audiovisual natives' zijn. Mensen die als kind al vertrouwd waren met microfoons en camera's, met digitaal geluid, met montagetechnieken die al in hun allereerste computers ingebouwd waren. Met vrijwel voortdurende toegang tot beeldverhalen via een veelheid van schermen thuis, op school en op straat. De stichting van een instituut als het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF) heeft zeker bijgedragen tot de professionalisering (en het depolitiseren) van de overheidssteun aan en de begeleiding van het filmberoep. Wat ook weleens vergeten wordt, is dat de huidige generatie jongens en meisjes die na hun middelbare school besluiten om 'film' te gaan studeren aan een van onze vier filmscholen véél beter opgeleid wordt dan hun voorgangers. In tegenstelling tot veel filmopleidingen in het buitenland, die ofwel véél te theoretisch zijn (binnen een universitaire context) ofwel véél te technisch (in te dure privéscholen), biedt het Vlaamse filmonderwijs een goede mix van academische en artistieke scholing, en vooral een degelijke hands-on-aanpak voor de praktijkvakken, die tegenwoordig gedoceerd worden door sommigen van de beste filmmakers uit ons taalgebied. Wie net een filmopleiding achter de rug heeft, wordt na het lange afscheidsfeestje vaak wakker met een kater. Wanneer hij of zij vervolgens in de spiegel kijkt, komt de vraag: wat voor film ga ik nu maken? Of met andere woorden: welk verhaal wil ik toevoegen aan de honderdduizenden verhalen die mijn voorgangers al aan de in wezen nog jonge filmgeschiedenis hebben toegevoegd? Wanneer jonge filmmakers mij die vraag op de man af stelden toen ik nog zelf scenarioles gaf, antwoordde ik steevast met een formule die ik van een Britse filmdocent had geleerd. En daar maakte ik dan ook nog een op gymnastiek lijkende beweging bij: mijn beide handen vertrokken vanop mijn hart de lucht in, waarna ik ze nog even wijd en breeduit liet wapperen aan het einde van mijn armen, zoals pauwen plegen te doen met hun veren. Ondertussen zei ik dat verhalen van diep vanbinnen in jezelf kunnen komen, of van overal uit de hele wijde wereld. De eerste, per definitie introverte, keuze leidt ertoe dat de filmmaker zo diep mogelijk in zichzelf en in zijn eigen denkwereld moet graven om een onderwerp te vinden dat hij waardig vindt om te verfilmen. In deze regio van het denken komt men de toekomstige 'auteurs' tegen, mensen die de camera als een pen gebruiken om visuele verhalen te schrijven, die niet aarzelen om hun privéproblematieken naar buiten te brengen via het medium film. Dat beperkt de keuzemogelijkheden enigszins, maar kan ook zeer atypische, niet-clichématige films opleveren. Films die op het moment dat ze verschijnen soms gemarginaliseerd worden als zijnde arthousemovies, waardoor ze vaak alleen maar op festivals en in achterafzaaltjes te zien zijn. Gelukkig krijgen zulke films tegenwoordig vaak de erkenning die ze verdienen, en dan geef ik als voorbeeld graag het algemeen geprezen petit chef-d'oeuvre dat Fien Troch ons in de vorm van Home heeft geschonken. Tegenover die persoonlijke cinema staat natuurlijk het werk van cineasten die buiten zichzelf gaan zoeken om een verfilmbaar onderwerp te vinden. Wanneer ze dat doen merken ze al snel dat niet eens de sky de eigenlijke limit is, maar dat werkelijk alles zich aanbiedt aan hij of zij die op zoek is naar een vonk voor een idee dat misschien ooit een film zou kunnen worden. Kijk door het raam, observeer uw buren, lees de krant, bekijk talkshows, bezoek eens een museum, ondervraag uw opa en oma, ga kijken op zolder en bestudeer daar vergeelde familiefoto's of koop wat postkaarten op een rommelmarkt, luister naar de radio, neem de trein, ga een uur in een café zitten, bezoek een land in den vreemde, koop een kledingstuk in de kringloopwinkel en bedenk dan: aan al die dingen hangt een verhaal. Waarom zijn die buren hartje winter in de weer met een surfplank? Welk verdriet zit er achter een kort krantenbericht over iemand die zijn beste vriend met een slagersmes heeft afgemaakt? Wat doen die mensen op die rare foto die ik op de grond vond bij de rommelmarkt? Wie zijn zij? En wat gebeurde er net daarvoor en net daarna? Van wie was die oude jas die ik net voor een habbekrats heb gekocht?En wiens lippenstift staat nog op de rand van dat champagneglas dat daar tussen het grofvuil staat? Ik weet het niet. Maar wanneer ik mijn verbeelding aanzet, worden die oude jas, dat glas en die verlopen airline tickets to romantic places meteen bouwstenen voor een goed verhaal. Aan aspirant-filmmakers die te lui waren om al het voorgaande zelf uit te proberen, gaf ik vaak ook de volgende gouden tip: 'Lees een boek.' Ik bedoelde eigenlijk 'Koop een boek', maar de praktijk leerde mij dat in dat laatste geval mijn wijze raad zelden werd opgevolgd. Hoogstens leidde mijn oproep tot een bezoek aan de plaatselijke bibliotheek. Of aan gelijk welke andere bibliotheek. Want daar bevinden zich de laagdrempelige schatkamers waar filmmensen zonder eigen ideeën hun haver en hun gort kunnen halen. Daar staan kasten vol met vriendelijke voorwerpen genaamd 'boeken' te wachten op hun lezers. Daar kan vrijwel iedereen in ruil voor een minimale som zo'n boek een tijdlang het zijne noemen. En uit dat boek welt misschien wel het filmverhaal op dat de toekomstige maker zo hard nodig heeft. Een oude Hollywoodrat zei me eens vanachter de walmen van een goedkope sigaar: 'Who buys a book, buys an audience!' En met 'book' bedoelde hij dan een goed boek dat het liefst ook goed verkocht. Hij ging er dus van uit dat als je de filmrechten verwerft op een boek waarvan er tienduizenden, honderdduizenden, miljoenen exemplaren over de toonbank gegaan zijn, er tegelijk een deel van die tienduizenden, honderdduizenden, miljoenen lezers van dat boek met plezier kijkers van de uit dat boek bewerkte film zullen worden. De praktijk gaf die oude rat vaak gelijk: van in het begin van de filmgeschiedenis hebben cineasten zich op hun boekenkasten geworpen om hun moeizaam verworven vaardigheden met camera en filmstrook te voorzien van enige inhoud. Een van de werkelijke oerfilms uit de geschiedenis van het bewegende beeld, The Great Train Robbery (Edwin S. Porter, uit 1903!), was een brave transpositie van de gelijknamige eenakter uit 1886 van Scott Marble. Toen voormalige filmgrootmacht Italië aan zijn filmgeschiedenis begon en Enrico Guazzoni zijn meesterwerk Quo Vadis? (1913) maakte - een prototype voor het later wat minachtend bekeken genre van de 'sandalenfilm' -, haalde hij de inspiratie voor zijn scenario niet uit zijn duim, maar dook hij diep in de gelijknamige succesroman van Henryk Sienkiewicz, waarin de schrijver de jonge keizer Nero uit pure balorigheid en tijdens het bespelen van een tokkelinstrument de hele stad Rome in brand laat steken. Stuff that dreams are made of, en dus zeker een gezonde basis voor een van de eerste blockbusters uit de filmhistorie. De Fransen, die niets minder dan het medium film uitgevonden hebben, kunnen natuurlijk prat gaan op een helemaal op zichzelf staande pionier als Georges Méliès, maar voor de verdere invulling van hun fictiefilms werd er toch gretig gegraaid in de trommel waar hun grootmeesters van het vertellen, zoals daar zijn Victor Hugo, Alexandre Dumas, Gustave Flaubert, als gefundenes Fressen lagen te wachten op filmmakers die op zoek waren naar een sterk verhaal. In Groot-Brittannië was het niet anders: William Shakespeare, Charles Dickens, Arthur Conan Doyle, Jane Austen. Briljant in boekvorm, vaak ook volwaardig voer voor de massa in filmische vorm. En wij hier, zult u vragen? Wel, wij hier hadden de truc met het boek ook al vrij vroeg door. De eerste Nederlandstalige geluidsfilm, en tegelijk een frappant publiek succes was De Witte (1934) van Jan Vanderheyden, naar het populaire boek met dezelfde naam van de volksschrijver Ernest Claes. Het is en was een hoogst verdienstelijke film met de piepjonge acteurs Jef Bruyninckx en Nand Buyl in de hoofdrollen. De ene zou later carrière maken als monteur en regisseur bij de Vlaamse openbare omroep. De andere zou een iconisch acteur worden die bij het grote publiek voor eeuwig en een dag zou bekendstaan als De Schipper uit de legendarische tv-reeks Schipper naast Mathilde, maar die vooral wonderlijk acteer- en regiewerk verrichtte in de Brusselse KVS en tot zeer laat in zijn leven te zien was in films en tv-reeksen, vaak met jonge mensen en zelfs studenten in de regiestoel. De Witte heeft in elk geval de verdienste dat hij het Vlaamse publiek geleerd heeft dat het niet ongewoon is dat een film van zogenaamde eigen bodem ook écht een film kan zijn. En hij heeft ook bewezen wat de man met de stinkende sigaar zei: 'Who buys a book, buys an audience.' Wijze woorden die helaas niet altijd tot klinkende successen of parels van films leiden. Soms schuilt in de veelgehoorde dooddoener 'Het boek was beter dan de film' meer dan louter een grond van waarheid. Omdat bepaalde cineasten de klasse, of domweg het verstand van de auteur die ze bewerken niet kunnen evenaren. Soms is het ook andersom, en maakt een briljante filmmaker een meesterwerk van een niemendalromannetje. Bestaan daar regels voor, recepten, garanties over hoe het moet of niet moet? Natuurlijk niet. Al kom je in vrijwel ieder handboek voor scenario wel een hoofdstuk over adaptation tegen. Je krijgt dan in de regel een voorspelbare lijst van do's-and-don'ts waarbij de papieren scenarioleraar erop wijst dat je de geest van een literair werk moet respecteren, niet noodzakelijk de letter. Dat je de grondboodschap van een boek nooit mag verraden. Dat je woorden in beelden moet omzetten. Dat je voor een filmversie van een verhaal personages kunt toevoegen of weglaten als dat nodig blijkt. Dat de plot van een boek niet automatisch en klakkeloos moet worden overgenomen en omgezet naar film. Al heeft die kunstvorm in vele gevallen wel nood aan een stevig plot. Aan een begin, een midden en een einde. Maar niet noodzakelijk in die volgorde, zoals de jongens van de nouvelle vague zegden. De internationale cinema heeft er zich dus nooit voor geschaamd om succesvolle boeken te vermalen tot filmscenario's. Soms leidt, zoals gezegd, de verfilming van een niet eens meesterlijke roman (zie Carol, van Patricia Highsmith, niet haar beste boek) zelfs tot een prachtfilm (de gelijknamige film van Todd Haynes met een geniale Cate Blanchett en dito Rooney Mara). In dit land was de boekverfilming de laatste jaren wat stilgevallen, leek het zelfs even een uitstervend genre, maar het eclatante internationale succes van bijvoorbeeld Felix van Groeningens verfilming van Dimitri Verhulsts De helaasheid de dingen bracht daar verandering in. Lange tijd daarvoor werd het werk van oude schrijvers met rust gelaten, en dat van nieuwe schrijvers leek de filmgilde niet te inspireren. Soms waagde een moedige zich wel aan de grote en volgens mij onverfilmbare Willem Elsschot. En ja, het werk van wijlen Jef Geeraerts diende ook weleens als basis voor een succesfilm, en soms zelfs voor een goede basis, zoals bleek uit De zaak Alzheimer, absoluut Erik Van Looys beste film. Hier bewezen boek en film mekaar een uitstekende dienst. En natuurlijk heeft een internationaal gewaardeerde film als Daens, behalve aan het talent van regisseur Stijn Coninx, ook zeer veel te danken aan het fantastische verhaal van Louis-Paul Boon dat de grondlaag leverde voor die voor een Oscar genomineerde en ondertussen legendarische rolprent. Een enkeling, zoals Dominique Deruddere, ging het wel eens over de grens zoeken en draaide films naar het werk van Amerikaanse cultschrijvers als Charles Bukowski en John Fante. Daarna werd het snel weer de gewoonte dat jonge mensen die hun debuutfilm gingen draaien toch vaak een beroep deden op een eigen verhaal om hun entree in de stiel te maken. Dat kwam wellicht voort uit de gewoonte om hun studenten- en eindwerkfilms te draaien rond een anekdote uit hun nog jonge leven. Op veel filmscholen wordt auteurschap bovendien vaak meer gewaardeerd dan vakmanschap, en is elke blik op commercieel succes bij voorbaat verdacht. Eerste films hebben ook te maken met de drang om zich te uiten, met de behoefte van jonge filmers om hun eigen leef- en denkwereld te delen met de anderen. Vaak leidde dat tot mooie, soms erg persoonlijke films als Manneken Pis (Frank Van Passsel, 1995), Rosie (Patrice Toye, 1998) of Meisje (van Dorothée Van Den Berghe, 2002). Dat soort films bestaat vandaag - gelukkig - nog. Het al eerder genoemde Home van Fien Troch is daar wellicht het beste voorbeeld van. Wat niet wegneemt dat dezer dagen het spook van de bewerking van succesvolle boeken weer aan onze einder is opgedoken. Sprakeloos van Tom Lanoye, Vele hemels boven de zevende van Griet Op de Beeck en Het smelt van Lize Spit zijn succesboeken die onlangs verfilmd werden of dat straks zullen worden. Of in deze gevallen het boek beter dan wel slechter is dan de film, is een vraag waar we nu dus nog niet met wetenschappelijke zekerheid op kunnen antwoorden. Niet al die boeken zijn even boeiend, dus het zou best kunnen dat de films die eruit voortkwamen of zullen komen achteraf niet allemaal meesterwerken blijken. Waar ik wel van overtuigd ben, is dat de auteurs van die films precies weten of wisten waarom ze net die boeken wilden bewerken, en niet eentje van bijvoorbeeld Dostojevski, Ian McEwan of Raymond Chandler, wat mij een beter idee had geleken. Als ik de makers van die films nog eens tegenkom, zal ik hun daar eens naar vragen. Ik denk níét dat ze geen eigen idee voor een verhaal hadden. Ik denk dat ze gewoon verliefd geworden zijn op die boeken terwijl ze die aan het lezen waren. Toch is het verfilmen van een bestaand boek wel net zo handig: wie de rechten op een succesboek verwerft, koopt tegelijk een titel die reeds bij het publiek bekend is, een bekend thema, een bekende leefwereld, een bekende arena. En het allerbelangrijkste: personages die reeds voor driekwart zijn afgewerkt, met het liefst wat diepgang, wat reliëf, een bepaalde manier van zich te kleden, een bepaalde omgang met taal, fijne dan wel minder fijne hebbelijkheden, seksuele voorkeuren, hoe ze die beleven, of ze last hebben van of plezier beleven aan drank- of andere verslavingen. De dingen die ik hierboven gauw-gauw oplijst, moet de steller van een origineel scenario natuurlijk allemaal zelf bedenken, terwijl de filmmaker die voor adaptie gaat die cadeau krijgt. Dat blijkt soms ook een vergiftigd geschenk, met het bekende gevolg dat grootse romans soms hele kleine, onbetekenende films opleveren. Ik zou u dus een lange lijst van slechte films naar goede boeken en goede films naar slechte boeken kunnen opnoemen, maar sta mij toe die vervelende klus door te spelen aan de mensen die het knelpuntberoep van filmrecensent uitoefenen. Wat ik wél kan, is u als ervaringsdeskundige meedelen hoe ik de zaak van het bewerkte boek zou aanpakken. Ik heb zowel voor film (samen met Dominique Deruddere) al eens een zeven pagina's lang kortverhaal van Charles Bukowksi uitgerold tot een langspeelfilm (Crazy Love), en heb ook de volkse roman De Kavijaks, van Jozef Vantorre, op verzoek van een producent omgebouwd tot een vijfdelige tv-serie. Verder heb ik alleen maar slecht nieuws: alle boeken die ik de afgelopen dertig jaar heb proberen te bewerken zijn me midden in het werkproces ergens ontsnapt. Ofwel was ik het boek na vijf keer lezen zo beu dat ik er niet meer mocht aan denken dat ik er nog eens maanden aan zou moeten verder schrijven, om het daarna te verfilmen en het vervolgens in de montage nog eens maandenlang te moeten bekijken.Ofwel vond ik gewoon de kern van het boek niet, de gevoelige plek die van dat geweldig geschreven verhaal een boeiende filmstory zou maken. Zo ben ik eigenlijk al zeven jaar aan het proberen om van David Van Reybroucks roman Slagschaduw een subtiele stadsfilm te maken, een film over liefde en vriendschap en andere simpele dingen, maar nog in geen enkele van de zeven of acht versies die ik alleen of samen met anderen heb proberen te schrijven vond ik iets terug van de ontroering die ik voelde toen ik dat boek op een dag zonder enige voorkennis uit de boekhandel mee naar huis nam en het daarna in één ruk uitlas, gelegen op het neplederen bankstel waar ik het grootste deel van mijn avontuurlijke leven slijt. Over die mogelijke Slagschaduw-verfilming wil ik alleen dit zeggen: hou uw adem niet in tot hij uitkomt en lees nu alvast dat mooie boek. Iets zegt me dat ik na 2840 woorden in dit verhaal nog altijd niet geantwoord heb op de vraag die u zichzelf bewust of onbewust al zeker een paar keer gesteld hebt op weg naar huis, na een avondje bioscoop: was het boek nu écht beter dan de film of werd het toch weer vice versa? Degenen onder u die van regels houden, moet ik teleurstellen inzake deze problematiek: er zijn namelijk geen regels voor boekbewerking. Geen enkele kunstvorm laat zich makkelijk vangen in pasklare formules, maar wanneer men twee zo wijd uiteenlopende fenomenen als 'boek' en 'film' met mekaar gaat verbinden, ontdekt men dat zelfs de meest ernstige vakliteratuur hier geen antwoorden, laat staan wetenschappelijk sluitende bewijzen, voor kan formuleren. Hoe boek en film zich verhouden tot mekaar, begint al met een clash in het hoofd van elk van ons, vrees ik. Van elk boek dat wij lezen, draaien wij in onze hersenen al een eigen film. Wij bepalen zelf al hoe de protagonisten eruitzien, hoe hun stem klinkt, welke kleren ze dragen, in welke huizen ze wonen. Als we die film uit onze hoofden dan gaan vergelijken met de beelden en de klanken die we in de bioscoop voorgeschoteld krijgen, is de ontgoocheling vaak op de afspraak. Een wijze raad, dus: ga niet naar films kijken die bewerkingen zijn van uw favoriete boeken. Of ook: als u weet dat een film een bewerking is van een welbepaald boek, lees dat boek dan nádat u die film gezien hebt en niet ervoor. Ik vind dat trouwens, meer in het algemeen, ook de ideale manier om naar een film te kijken: er zo weinig mogelijk over weten. Geen promotiefilmpjes bekijken, geen drie minuten durende 'exclusieve' nepinterviews aanhoren, geen recensies lezen van onderbetaalde jongelui wier beoordelingsvermogen helemaal ondermijnd is door het feit dat ze zeven films per week moeten zien, of zeven per dag, op grote festivals. Wat ik zelf doe, heeft ook niets met objectiviteit te maken: ik kies mijn films op basis van bewust subjectieve criteria als de titel, de zaal waarin ze een film vertonen, de kleur van de ogen van de hoofdactrice, en of er al dan niet een lift voorhanden is om de plek te bereiken waar de film vertoond wordt. Ik moet op voorhand ook weten of er fysiek geweld in voorkomt - zo ja, dan blijf ik meestal weg - en of er acteurs in meespelen die ik in het ware leven ken als vervelende klieren. Ook dan zeg ik af, wat me meer en meer overkomt, moet ik toegeven. Voor wie plannen heeft om zelf een boek om te werken tot een filmscenario, heb ik zelfs een wijze raad, mij aangeleerd door mezelf, door scha en schande: lees het uitverkoren boek een enkele keer en gooi het daarna zo ver mogelijk weg. Ga een scenario schrijven met het gevoel dat je aan dat boek hebt overgehouden, zoek de bloedlijn op die jou verbindt met de essentie van dat verhaal en bouw daarop een nieuw verhaal dat als belangrijkste finaliteit heeft dat het, eens het af is, niet bedoeld is om gelezen, maar wel om bekeken, beluisterd, geroken te worden. Geen simpele opgave, en daarom wellicht ook slechts een van de antwoorden op de vraag waarom het boek vaak zoveel beter is dan de film. Want als die nog naar papier ruikt, is hij per definitie doodgeboren. Wat ik me nog vanuit mijn jeugd herinner van de films die ik toen zag en die gemaakt waren naar mijn favoriete boeken is het volgende: vaak vond ik de frisco die ik in de pauze kreeg beter dan film én boek! Een wijze raad voor wie een roman wil verfilmen, mij aangeleerd door mezelf: lees het boek één keer en gooi het dan zo ver mogelijk weg.