1952 - Le banquet des fraudeurs - Henri Storck

De vooral van zijn documentaire Misère au Borinage (1933) bekende Oostendenaar Henri Storck was een van de eerste Belgische documentairemakers en de oprichter van het Koninklijk Belgisch Filmarchief. Hoewel hij zelf geen duidelijke grenzen zag tussen docu's en fictie was het zijn enige fictiefilm, het WO II-drama Le banquet des fraudeurs, die werd geselecteerd voor de competitie van Cannes. Storck won er geen prijzen mee: hij moest het opnemen tegen illustere namen als Orson Welles, Vincente Minnelli, William Wyler, Elia Kazan en Luis Buñuel.
...

De vooral van zijn documentaire Misère au Borinage (1933) bekende Oostendenaar Henri Storck was een van de eerste Belgische documentairemakers en de oprichter van het Koninklijk Belgisch Filmarchief. Hoewel hij zelf geen duidelijke grenzen zag tussen docu's en fictie was het zijn enige fictiefilm, het WO II-drama Le banquet des fraudeurs, die werd geselecteerd voor de competitie van Cannes. Storck won er geen prijzen mee: hij moest het opnemen tegen illustere namen als Orson Welles, Vincente Minnelli, William Wyler, Elia Kazan en Luis Buñuel. Dora van der Groen als prostituee die zich over een voortvluchtige Julien Schoenaerts ontfermt: de eerste Vlaamse auteursfilm is een nagenoeg plotloos existentieel drama over een gekwelde doler. Het regisseurstrio Kuypers (amateurcineast), Michiels (auteur) en Verhavert (filmjournalist) won geen prijzen op het festival der festivals, maar de concurrentie was met regisseurs als Satyajit Ray, Akira Kurosawa, Ingmar Bergman en Alfred Hitchcock zo mogelijk nog zwaarder dan die in 1952. Emile Degelin moet zowat de meest vergeten Vlaamse regisseur aller tijden zijn. Wie ooit zijn ¿Y mañana? (1966) of Palaver (1968) zag, moet al bijna iets met de dvd-restauraties van die dialoogloze films te maken hebben gehad. Degelins eerste langspeelfilm Si le vent te fait peur schopte het nochtans meteen tot de competitie in het jaar dat Georges Simenon een jury voorzat waar ook Henri Storck in zetelde. Zij schonken de Gouden Palm echter aan Federico Fellini's La dolce vita. Omdat je tégen Orson Welles toch geen kans maakt, schakelde Harry Kümel die concurrentie alvast uit door de regisseur van Citizen Kane (1941) te casten in zijn sprookjesachtige adaptatie van de gelijknamige roman van Jean Ray. En om de Fransen écht te paaien kreeg rocker Johnny Hallyday een cameo. Het mocht niet baten want dit cinefiele buitenbeentje in de Vlaamse filmgeschiedenis werd in Cannes lauw onthaald en deed het later in Vlaanderen niet zo heel veel beter. Onder meer omdat de bulderstem van Welles in het Nederlands werd gedubd. Naar aanleiding van de 70e verjaardag van het festival wordt Raoul Servais' animatieklassieker Harpya dit jaar opnieuw vertoond. De kortfilm waarmee de man die in 1972 met Operation X-70 ook al meedong uiteindelijk een Gouden Palm won, is een poging om liveactionbeelden te combineren met animatie. En aangezien Servais dat in 1979 nog niet met een Mac Pro kon doen, ontwikkelde hij zelf een techniek met een combinatie van leg-animatie, frontprojectie en multiplane-opnames. Het resultaat ziet er fantastisch uit, maar het procedé bleek zo tijdrovend dat niemand het ooit nog voor een andere film zou gebruiken. Volgend jaar zal het dertig jaar geleden zijn dat er nog eens een Vlaamse film de competitie haalde. Dat was André Delvauxs Yourcenar-adaptatie L'oeuvre au noir. Delvaux is sowieso het beste Vlaamse exportproduct in Cannes, want ook met zijn romantische drama Belle (1973) en het oorlogsdrama Een vrouw tussen hond en wolf (1979) mocht hij meedingen naar een Gouden Palm. Die won Delvaux nooit, maar de regisseur die met De man die zijn haar kort liet knippen in 1966 de moderne Belgische cinema inluidde, werd later door Albert II wel in de adelstand verheven. Er zijn filmmakers die zelfs nog nooit in Cannes zijn geweest, maar de Vlaamse regisseur van de geriatrische kolder Pauline & Paulette (2001) kreeg er in 1997 wél een prijs. Op het festival waar de Vlaamse aanwezigheid zich sinds 1988 beperkt tot de nevensecties en de kortfilmprogramma's kreeg Lieven Debrauwer de Prijs van de Jury met Leonie. De voorlopig laatste Vlaamse film die die eer te beurt viel, was Badpakje 46 van Wannes Destoop in 2011. Debrauwer kreeg in Cannes overigens zelfs voor Pauline & Paulette een publieksprijs in 2001, het jaar waarin hij de Persoonlijkheidsprijs Roeselare won. Niemand die weet wat je daar moet voor doen. Toen de geestelijke vader van Kabouter Wesley zijn afstudeerproject voor de animatieafdeling van KASK Gent naar Cannes stuurde, was zijn kleurrijke tekenfilm over de lotgevallen van vier appartementsbewoners nog niet helemaal klaar. De olijke Oost-Vlaming wist er desalniettemin de Prijs van de Jury mee in de wacht te slepen en maakte van zijn dankwoord gebruik om de Amerikanen op te roepen om niet voor George W. Bush te stemmen. Zelfs een Gouden Palm voor Michael Moores Fahrenheit 9/11 mocht niet baten: Bush begon gewoon aan een tweede ambtstermijn. Van Groeningen en de zijnen fietsten dan wel naakt op de Croisette, ze waren nooit in de running voor een Gouden Palm: de film zat in de nevensectie La Quinzaine des Réalisateurs. Dat is niets om beschaamd over te zijn want in datzelfde luik passeerden al grootheden als Bresson, Herzog en Scorsese. Bovendien is het een festivalonderdeel waar Vlamingen thuis lijken: ook Gust Van den Berghe, Peter Brosens en Jessica Woodworth, Caroline Strubbe en Christophe Van Rompaey presenteerden er hun werk. De rouille et d'os is geen Vlaamse film, maar Jacques Audiards drama bombardeerde Matthias Schoenaerts wel definitief tot dé chouchou van de Franse cinema. Toen hij drie jaar later met Maryland opnieuw de badstad aandeed, mocht hij er zelfs panelgesprekken met een zichtbaar zwijmelende Salma Hayek doen. Ook aanwezig in 2015 was de Antwerpse acteur Jan Bijvoet met het Colombiaanse Embrace of the Serpent. Bijvoet stal in 2013 al de show in Borgman. Hoog tijd dus dat al dat acteertalent nog eens met een Vlaamse film de officiële competitie opfleurt.