Vraag aan Vlaamse jongeren waaraan Saint-Tropez hen spontaan doet denken, en de kans is niet denkbeeldig dat het antwoord luidt: de Verhulstjes. Vraag het aan al wie ouder is dan veertig of een béétje francofiel ingesteld en er wordt meteen 'Louis de Funès' geroepen, bij voorkeur driftig gesticulerend en er 'c'est fini maintenant!' aan toevoegend. Frankrijks favoriete gekkebekkentrekker scoorde namelijk in de sixties en seventies ook in onze contreien de ene kaskraker na de andere. Le corniaud (1965), La grande vadrouille (1966), Les aventures de rabbi Jacob (1973)... Het zijn titels die stuk voor stuk tot het Franse filmpantheon behoren en inmiddels ontelbare keren op tv gepasseerd zijn. Maar De Funès' bekendste typetje blijft de even plichtsbewuste, bekrompen als driftige gendarme van Saint-Tropez. Het is een rol die hij tot vijf keer toe hernam, wat de kolerieke komiek, die sinds 1983 onder de zoden ligt te spartelen, zelfs een museum in de Zuid-Franse hub van de Verhulstjes opleverde.
...

Vraag aan Vlaamse jongeren waaraan Saint-Tropez hen spontaan doet denken, en de kans is niet denkbeeldig dat het antwoord luidt: de Verhulstjes. Vraag het aan al wie ouder is dan veertig of een béétje francofiel ingesteld en er wordt meteen 'Louis de Funès' geroepen, bij voorkeur driftig gesticulerend en er 'c'est fini maintenant!' aan toevoegend. Frankrijks favoriete gekkebekkentrekker scoorde namelijk in de sixties en seventies ook in onze contreien de ene kaskraker na de andere. Le corniaud (1965), La grande vadrouille (1966), Les aventures de rabbi Jacob (1973)... Het zijn titels die stuk voor stuk tot het Franse filmpantheon behoren en inmiddels ontelbare keren op tv gepasseerd zijn. Maar De Funès' bekendste typetje blijft de even plichtsbewuste, bekrompen als driftige gendarme van Saint-Tropez. Het is een rol die hij tot vijf keer toe hernam, wat de kolerieke komiek, die sinds 1983 onder de zoden ligt te spartelen, zelfs een museum in de Zuid-Franse hub van de Verhulstjes opleverde. De Funès is schaamteloze nostalgie, wat de lockdown vorig jaar andermaal bewees: heruitzendingen van bovenvermelde en andere dijenkletsers deden nog maar eens miljoenen Fransen proesten van plezier. Het is grand guignol van de breedste soort, het soort vertier dat onmiddellijk doet denken aan la France à papa, toen mannen nog baretten droegen en gauloises rookten, en frivole mademoiselles in minirok over de Champs-Élysées flaneerden. Maar hij was ook veel meer dan een oubollige en comfortabele fantasie uit gaullistisch Frankrijk. Hij was een ontembare brok energie, een cinefiel die zijn metier leerde bij Chaplin, Keaton en Laurel & Hardy, die jongleerde met stereotypen en vooroordelen én een autodidactisch filmauteur die zijn films, grappen en grollen zelf mee pende. Dat bewijst de toepasselijke getitelde tentoonstelling A la folie, die van 2 oktober tot 16 januari te zien is in het Brusselse Cinema Palace, dat daarnaast ook een twintigtal De Funès-films herneemt. De expo, die eerder in een uitgebreider versie te zien was in de Cinémathèque Française in Parijs, presenteert posters, stills, privédocumenten en zelfs de uiteenvallende Citroën uit Le corniaud en de koosjere kostuums van rabbi Jacob. Het is een trip door De Funès-land, maar dan één die alle aspecten illustreert en toont hoe achter de kleine, kale koning van de Franse farce een complexe persoonlijkheid schuilging die het succes fou niet in de schoot geworpen kreeg. De Funès mag dan te boek staan als de smoelentrekker die miljoenen mensen aan het schuddebuiken bracht als de amper 1,63 meter kleine incarnatie van het balorige burgermannetje, maar tot zijn vijftigste diende hij zich tevreden te stellen met bijrolletjes. Zijn volwassen leven was hij begonnen door van job naar job te hoppen. Laborant, boekhouder, barman, bontbewerker ... De Funès, die tijdens de Depressiejaren opgroeide in een verpauperde Spaanse migrantenfamilie, deed het allemaal met frisse tegenzin en voortdurend grappen makend. Tot hij tijdens de oorlog aan de slag ging als jazzpianist in een Parijse nachtclub en daarna een theatertroep vervoegde, waar hij zijn talent voor physical comedy kon uitleven in vaudevillekomedies. Beetje bij beetje groeide zijn reputatie en de lengte van zijn rollen, tot hij uiteindelijk ook over het witte doek mocht razen, en in 1964 alsnog zijn grote doorbraak forceerde. In dat jaar scoorde hij twee kaskrakers, voor het eerst als leading man én in knallende technicolor: Le gendarme de Saint-Tropez én Fantômas. Daarin vertolkte De Funés respectievelijk de goocheme gendarme Ludovic Cruchot en de blunderende commissaris Juve, die zijn meest iconische rollen zouden worden, met dank ook aan de succesvolle sequels. Vele hits volgden, waaronder de onvermijdelijke oorlogskomedie La grande vadrouille, die elf miljoen Fransen naar de bioscoop lokte, een record dat pas dertig jaar later door Titanic zou worden verbroken. Maar aan De Funès moeizaam vergaarde faam en fortuin hing een prijskaartje. Niet alleen kreeg hij almaar meer de reputatie bazig en achterdochtig te zijn, al dan niet ingegeven door het feit dat critici zijn frenetieke fratsen, ondanks of net vanwege hun populariteit, doorgaans maar niks vonden. Vanaf de jaren zeventig begon De Funès, die zich het liefst terugtrok in zijn zeventiende-eeuwse kasteel in de buurt van Nantes, ook almaar meer te sukkelen met zijn fysieke en mentale gezondheid. Uiteindelijk bezweek hij na een reeks depressies op zijn 68e aan een zoveelste hartaanval.Is lollige Louis, die naar eigen zeggen zijn carrière lang zijn opvliegende Spaanse moeder imiteerde, een vergeeld relict uit de patriarchale, chauvinistische en monoculturele tijd van toen? Of is en blijft hij een explosief vat vol fascinerende contrasten, een komiek die zijn kleine gestalte gaf aan allerlei bekrompen en drukdoenerige typetjes en daarmee vooral de spot op zichzelf - en bij uitbreiding op ons allemaal - richtte? Ga het ontdekken in Cinema Palace. Wie weet, loop je er de Verhulstjes tegen het lijf.