'Ik heb totaal niets met de nordic noir', zegt regisseur Hlynur Palmason, een hoogblonde dertiger die opgroeide tussen de fjorden van de IJslandse Oostkust. 'Geef mij maar een detectiveverhaal dat rauwe gevoelens en familierelaties ontrafelt in plaats van mysterieuze misdaden.'
...

'Ik heb totaal niets met de nordic noir', zegt regisseur Hlynur Palmason, een hoogblonde dertiger die opgroeide tussen de fjorden van de IJslandse Oostkust. 'Geef mij maar een detectiveverhaal dat rauwe gevoelens en familierelaties ontrafelt in plaats van mysterieuze misdaden.' In zijn hardvochtige debuut Winter Brothers (2017) deed de IJslandse festivallieveling dat door mijnwerkers te volgen die hun eenzaamheid verdrinken en hun problemen uitvechten met piswedstrijden in de sneeuw. In het mysterieuze rouwportret A White, White Day legt hij nu de kleine kantjes van gebroken mannen bloot door de gekwelde ex-flik Ingimundur (indrukwekkend vertolkt door Ingvar Sigurdsson, en daarvoor in Cannes ook onderscheiden) te volgen. Na de plotse dood van zijn vrouw reageert die bonkige binnenvetter zijn verdriet af op enkele inwoners van een mistig dorpje, waar Palmason het rauwe en het ravissante met poëtische precisie in elkaar laat overvloeien, met een ontwapenende kleindochter (gespeeld door Ída Mekkín Hlynsdóttir, de tienjarige dochter van de regisseur) als stille getuige van Ingimundurs zachte kant. Ingvar Sigurdsson kennen we uit Trapped. Heeft die IJslandse noirhit jullie filmsector een boost gegeven? Hlynur Palmason: De groeiende productiviteit en populariteit van de IJslandse cinema komt daar niet van. We zijn gewoon laatbloeiers. Onze eerste langspeelfilms maakten we pas eind jaren zeventig. Sindsdien is er een groep cinefielen opgegroeid die elkaar door dik en dun steunen. Ik denk aan filmmakers als Fridrik Thór Fridriksson en Dagur Kari, of de onlangs overleden filmcomponist Jóhann Jóhannsson. IJslanders willen in dialoog treden met de wereld en cinema helpt daarbij. Daarom moeten we de grenzen van onze filmkunst telkens durven te verleggen. Verkaste je daarom na je studies en je debuutfilm weer van Denemarken naar je geboorteland?Palmason: Ik wist al lang dat ik weer in mijn eigen taal wilde schrijven en een film met mijn dochter Ída wilde maken, maar ik had het succes van Winter Brothers nodig om dat te realiseren. In mijn films speelt de omgeving een belangrijke rol. Ze kneedt de mensen die erin vertoeven, net zoals ook ik gevormd ben door het IJslandse platteland. Ik wilde mijn kinderen absoluut de vrijheid geven die ik me uit mijn jeugd herinnerde, voor het te laat was. Als tiener veranderde die bevrijdende sensatie in een benauwend gevoel, waardoor ik naar de stad wilde om nieuwe mensen te ontmoeten. Dat dubbele zit ook in de brute manier waarop je je dunbevolkte eiland presenteert.Palmason: (lacht) Ik maak geen prentkaartfilms! Er is veel schoonheid in IJsland, ja, maar die natuur is ook meedogenloos. Ik toon er de koude én de warme, de mooie én de lelijke kant van. Dat is eerlijker dan de toeristische beelden die continu de ronde doen. Het heeft er ook mee te maken dat ik de enige IJslandse regisseur ben die echt ver van de stad is opgegroeid. De meeste van mijn collega's komen uit Reykjavik. Dat voel je. Plattelandsbewoners benaderen en ervaren IJsland op een andere manier. Inspiratie zoek je dus niet bij Baltasar Kormákur, de cineast die de IJslandse hoofdstad vaak voor Hollywood verruilt om daar mens-versus-natuurfilms als Everest en Adrift te maken.Palmason: Ik kijk vooral naar cineasten die persoonlijk werk maken, regisseurs die over het hele plaatje hebben nagedacht, zoals Stanley Kubrick en Robert Bresson. Die hebben me op weg geholpen om alledaagse maar complexe thema's als familie en liefde uit te spitten. Bijvoorbeeld: enerzijds hou ik enorm veel van mijn vrouw, anderzijds zou ik haar soms kunnen vermoorden. Hoe verklaar je dat? Woede is een extreme vorm van passie. Daarom word ik ook kwaad van middelmatige films. (lacht) Zo'n dingen uitzoeken is spannender dan een vooropgezet plan volgen. Een overstap naar Hollywood zit er dus niet meteen in.Palmason: Nee, daarvoor werk ik te graag mijn eigen ideeën uit. Als er tijdens een project niets te ontdekken valt, haak ik af. Wat je nu wel ziet, is dat wanneer een film een scherp kantje nodig heeft de studio een eigenzinnige cineast optrommelt die er een visie aan kan toevoegen. Ik denk bijvoorbeeld aan Jojo Rabbit van de Nieuw-Zeelandse regisseur Taika Waititi. Je hebt de rol van de kleindochter voor je tienjarige dochter bedacht.Palmason: Ik weet graag voor wie ik mijn rollen schrijf. Dat zorgt ervoor dat ik veel dieper in de materie kan graven, de film in mijn hoofd al kan zien en horen tijdens de voorbereiding. Regisseren is voor mij een collectieve bezigheid waaraan familie en vrienden constant meewerken. Mijn kinderen lopen sowieso constant op de set rond. Waarom dus niet wanneer de camera draait? Luistert je dochter beter als de camera aan of uit staat?Palmason: Als de camera aanstaat, zonder twijfel. Ze kan echt een ettertje of een dramaqueen zijn. Ze was me vaak beu als ik haar een scène opnieuw liet spelen. Maar als de camera weer rolde, smolt haar ergernis telkens weer weg en deed ze haar best. Dat was fijn om te zien. Misschien moet ik in het vervolg altijd mijn camera bovenhalen als ze thuis weer eens kuren heeft. (lacht)