Het moet voor Bong Joon-ho ongetwijfeld als een genoegdoening gevoeld hebben toen hij eind mei in Cannes de Gouden Palm in de handen gedrukt kreeg voor zijn zwierige klassenkomedie Parasite. Er was de kloeke concurrentie van andere favorieten als Céline Sciamma's Portrait de la jeune fille en feu en Quentin Tarantino's Once upon a Time in... Hollywood, maar vooral: Bongs vorige, door Netflix geproducete competitiefilm Okja had twee jaar geleden op het festival nog ongewild voor controverse gezorgd toen boze bioscoopexploitanten hadden geprotesteerd tegen het selecteren van films die geen reguliere release in de Franse zalen krijgen.
...

Het moet voor Bong Joon-ho ongetwijfeld als een genoegdoening gevoeld hebben toen hij eind mei in Cannes de Gouden Palm in de handen gedrukt kreeg voor zijn zwierige klassenkomedie Parasite. Er was de kloeke concurrentie van andere favorieten als Céline Sciamma's Portrait de la jeune fille en feu en Quentin Tarantino's Once upon a Time in... Hollywood, maar vooral: Bongs vorige, door Netflix geproducete competitiefilm Okja had twee jaar geleden op het festival nog ongewild voor controverse gezorgd toen boze bioscoopexploitanten hadden geprotesteerd tegen het selecteren van films die geen reguliere release in de Franse zalen krijgen. Buiten Bongs wil om escaleerde het incident tot een conflict tussen de streamingreus en het festival dat tot vandaag aansleept. Geen wonder dat Bong dit jaar niet in poleposition leek te liggen om 's werelds meest prestigieuze filmprijs in de wacht te slepen. Maar van rancune bij jury en directie bleek geen sprake. Met Netflix heeft Parasite sowieso niks te maken. Bovendien is het een kolkende mix van spanning, humor en sociale commentaar waarmee Bong, na zijn wat halfslachtige Engelstalige sciencefictionuitjes Snowpiercer (2013) en Okja (2017) niet alleen terugkeert naar zijn heimat, maar ook naar zijn bloedvorm van weleer. In zijn bronstige prijsbeest vertelt de Koreaanse rasfilmer het verhaal van een arme, werkloze familie - zoon, dochter, moeder en vader - die aan de slag gaat bij een steenrijke clan als respectievelijk privéleraar, oppas, huismeid en privéchauffeur. Maar dan zonder de vereiste diploma's en vooral: zonder dat de bemiddelde maar naïeve werkgevers ervan op de hoogte zijn dat hun nieuwe personeel buiten de werkuren een gezin vormt. Lang duurt het niet vooraleer de machtsverhoudingen in de chique designvilla volledig op hun kop worden gezet. En Bong zou Bong niet zijn mocht hij die ingenieuze upstairs-downstairsintriges niet doorspekken met actie, humor en humanisme én serveren met de filmische flair die ook van zijn serialkillerthriller Memories of Murder (2003), zijn monsterfilm The Host (2006) en zijn moeder-zoondrama Mother (2009) al heerlijke genrehybrides maakte. Dat Bong mocht pronken met de Gouden Palm is niet alleen bien mérité, het is meteen ook de eerste keer dat een Koreaan die eer krijgt, nota bene in het jaar dat de Koreaanse cinema haar honderdste verjaardag viert. Genoeg reden voor een feestje, en voor een goed gesprek met Knack Focus. Net als je vorige films gaat ook Parasite deels over klassenstrijd. Vanwaar die obsessie?Bong Joon-ho: Het is geen obsessie. Het is de dagelijkse realiteit. We leven allemaal in een kapitalistische klassenmaatschappij en dus kennen we allemaal rijke en arme mensen. Parasite is deels op persoonlijke ervaringen gebaseerd, op wat ik om me heen zie of in de krant lees, maar dit is geen film over gele hesjes of andere concrete feiten. Toen ik op de filmschool zat, kluste ik als privéleraar bij een rijke familie bij. Zelf kom ik uit de middenklasse. We waren niet arm maar ook niet rijk. De scène waarin de zoon voor het eerst dat chique huis binnenkomt, zich onwennig voelt, alsof hij een spookhuis betreedt, is op mijn eigen herinneringen gebaseerd. Ik zie me als student nog zo dat huis binnengaan. Bleek dat er een sauna was op de tweede verdieping. Een sauna! In een huis! Zoiets mafs had ik nog nooit gezien. (lacht)De titel lijkt te suggereren dat armen parasieten zijn.Bong: De oorspronkelijke titel was 'Decalcomania' (naar de techniek om een afbeelding over te brengen op een ander oppervlak, nvdr.). Maar dat vond men te vergezocht. Terecht. Ik wilde de twee families gelijkwaardig presenteren, maar beetje bij beetje kwam de narratieve focus toch op het arme gezin te liggen. Het zijn bedriegers, oplichters, parasieten, maar toch zijn het geen schurken. Je voelt met hen mee. Ze zijn ook maar het product van een vreselijk systeem dat mensen in kasten opdeelt die nauwelijks met elkaar interageren. Ze worden door de omstandigheden gedwóngen om parasieten te zijn. De titel is meer een geuzennaam dan een scheldwoord. Je houdt duidelijk van outsiders en have-nots, want je vindt ze in al je films en altijd sympathiseer je met hen.Bong: Mijn cameraman zei me: 'Je beseft toch dat dit de eerste keer is dat we ook rijke personages filmen. In The Host, Mother of Memories of Murder waren het stuk voor stuk gewone of sjofele mensen. Zelfs Captain America-acteur Chris Evans was in mijn Snowpiercer in lompen gehuld. Ik wilde wel geen karikaturen maken van de rijkaards. Het zijn geen smeerlappen, ze hebben goede manieren, ze hebben goede smaak, ze zijn beleefd en genereus. Ze zijn alleen niet zo slim als de arme familie. (lacht) Dat weerspiegelt een pijnlijke werkelijkheid in Korea, en daarbuiten. Er zijn veel slimme, competente mensen die toch geen baan vinden door recessies, door een systeem dat sociale doorstroming verhindert. Als je arm geboren bent, mag je nog zo slim zijn als je wilt, je vertrekt niet op gelijke voet als iemand die rijk geboren is. In de film zegt de vader op een gegeven moment: 'Ik heb gesolliciteerd als parkeerwachter. Er bleken vijfhonderd kandidaten te zijn opgedaagd.' Dat is geen overdrijving. Dat heb ik uit de krant gehaald. Onder de nieuwe regering gaat het wat beter in Korea, maar enkele jaren geleden was de toestand echt erg. Daarmee breng je dezelfde sociale boodschap als pakweg Ken Loach. Alleen breng jij ze met satire. En niet met hard, sociaal drama.Bong: Ken Loach is geweldig. Ik ben een grote fan. Zijn Kes (1969) is een van mijn favoriete films aller tijden. Alleen ben ik zelf meer een genreregisseur. Zo voel ik dat toch aan. Ik hou van entertainment, van verrassing, van suspense, van spelen met conventies. Ik hou er niet van om een sociaal thema uit te kiezen en dat dan met de voorhamer erin te rammen. Ik breng de boodschap liever subtiel, met humor en satire. Ik hou meer van plagen en verleiden dan van het harde beukwerk. (lacht)Je houdt anders wel van harde, fysieke komedie. Ook die zit in al je films.Bong: (knikt) De grens tussen pijn en plezier is soms dun. Ik wil niet overkomen als een pervert, maar ik hou ervan het publiek aan het lachen te brengen met iets vreselijks of gewelddadigs, tot het denkt: mag ik daar wel mee lachen? Als ik twijfel en schaamte ruik, daar geniet ik van. Voor de rest ben ik een volkomen normale jongen, hoor. (lacht)Ik geloof je. Je bent nog privéleraar geweest, zeg je. Wanneer wist je: ik wil films maken, ik wil angst en schaamte ruiken?Bong: Vroeg. Ik was vijftien, zestien. Ik heb nooit een andere job overwogen. Hooguit heb ik even met het idee gespeeld om striptekenaar te worden. Ik teken al mijn storyboards zelf en straks komt daar een boek van uit, dus in zekere zin is ook mijn tekendroom in vervulling gegaan. The Host, Snowpiercer en Okja waren scififilms met veel special effects. Parasite wordt voortgedreven door menselijke dynamieken. Had je heimwee naar zulk drama?Bong: In Okja (een dystopische ecofabel over een speciaal gekweekt supervarken, nvdr.) zaten 300 cgi-shots van het beest. Zoiets kost veel geld, maar ook veel energie. Deze keer wilde ik die energie in de personages kunnen stoppen, in de details en nuances. Okja en Snowpiercer waren leuke, leerzame ervaringen maar dat waren films die ik met grove werktuigen moest maken. Met Parasite kon ik opnieuw onder de microscoop kijken. Eerlijk: dat ligt me beter. Ik denk dat ik in de toekomst vooral films op deze schaal ga maken, al mag je niet vergeten dat er ook in Parasite veel digitaal bijgewerkte shots zitten. Je bent niet alleen teruggekeerd naar films op een menselijker schaal, het was ook al tien jaar geleden dat je nog in eigen land had gefilmd.Bong: Ik heb het verhaal van Parasite geschreven in 2013, tijdens de postproductie van Snowpiercer. Ik doe normaal vier, vijf jaar over een film, van de eerste scenariodraft tot het moment dat hij in première gaat. Het is dus niet zo dat mijn films noodzakelijk de tijdgeest reflecteren of kort op de bal van de actualiteit spelen, al is er vaak wel een link met de realiteit. The Host was geïnspireerd op een reëel incident waarbij gifstoffen in het water terecht waren gekomen. Parasite is gekleurd door de economische crisis en de politieke schandalen die we de voorbije jaren in Zuid-Korea in hebben gekend. In zekere zin is het een companion piece van Snowpiercer. Daar bracht ik de klassenstrijd in beeld met sciencefiction, actie en fantasie. Nu wilde ik de clash der klassen op een meer realistische en intiemere manier becommentariëren. Die clash werd al vaak behandeld in cinema. Zijn er films die je specifiek hebben geïnspireerd?Bong: The Housemaid, een Koreaanse klassieker uit 1960, was een grote inspiratiebron. En ik heb The Servant (1964) van Joseph Losey en Que la bête meure (1969) van Claude Chabrol herbekeken. En er is natuurlijk The Insect Woman (1972) van Kim Ki-young, die ik als mijn mentor beschouw. In het Westen kennen veel cinefielen The Housemaid, maar The Insect Woman (niet te verwarren met de gelijknamige Japanse klassieker uit 1963, nvdr.) is minder bekend, hoewel ik die nóg beter vind. Een absoluut meesterwerk dat ik elk jaar wel eens herbekijk. Twee jaar geleden kwam je in Cannes ongewild in een mediastorm terecht, omdat jouw Okja, een Netflix Original, uiteindelijk haast nergens in de bioscoop te zien was. Hoe kijk je op die heisa en op je samenwerking met Netflix terug?Bong: Ik was gelukkig tijdens de opnames. Netflix gunde me artistieke vrijheid en gaf me final cut. Dat was een verademing. Het enige wat wrong, was de release. Ik had gehoopt dat ze genereuzer zouden zijn en de film een bioscooprelease gunnen. We hebben daar veel over gediscussieerd en het was niet gemakkelijk om een compromis te vinden. Ik heb uiteindelijk een bioscooprelease in Korea uit de brand kunnen slepen. Dat was een troost. Begrijp me niet verkeerd, ik heb niets tegen streaming. Het is een makkelijke manier om films te bekijken en het zal blijven bestaan. Maar een bioscoop is en blijft de beste plek om een film te bekijken. Ben je betrokken bij de serie die Netflix baseerde op je film Snowpiercer?Bong: Ze gunnen me een credit als executive producer en maker van het oorspronkelijke verhaal. Maar eerlijk: mijn enige concrete bijdrage is een setbezoek. Het voelde raar aan om opnieuw tussen al dat treinmateriaal te staan. Hebben jullie in België militaire dienstplicht? Wij wel. Wel, het leek alsof ik voor de tweede keer het leger in moest. (lacht)Heb je, met jouw internationale status, dan niet altijd de volledige controle over je films?Bong: Was het maar. Ik wil de architect van een film zijn, de schrijver-regisseur die het hele gebouw uittekent. Voor Parasite was ik dat letterlijk. Ik had dat chique huis al in mijn hoofd voor ik aan het verhaal begon. De living, de keuken, de tuin, en de sauna natuurlijk. (lacht) Maar ook hoe de ruimtes in elkaar overlopen, en wie op welk moment wie kan zien. De production designer kreeg er een punthoofd van, omdat ik zo precies wist wat ik wilde. Toen we mijn schetsen naar een echte architect brachten, zei die: 'Niemand bouwt huizen op deze manier, dit is compleet belachelijk.' Het huis uit de film bestaat dus niet?Bong: Wat je ziet, zijn allemaal sets. Het rijke huis. Het arme huis. Alleen de straat is echt. Als regisseur moet je ook een beetje een oplichter en parasiet zijn, een parasiet die de werkelijkheid binnendringt. Je moet ook iets van een masochist hebben. Ik hou ervan te werken binnen strikte grenzen, in een claustrofobische ruimte. Ik word angstig als ik eindeloos veel ruimte en keuze heb, omdat ik die niet kan bedwingen en controleren. Veel regisseurs hebben dat. Hitchcock. Ozu. Polanski. Het rijke gezin heeft een schuilkelder voor het geval Noord-Korea aanvalt. In welke mate leeft die angst bij de modale Koreaan?Bong: Dit is interessant. Amerikanen en Japanners zijn vaak doodsbenauwd wanneer Kim Jong-un weer eens een raket heeft gelanceerd. Mijn vrienden in Los Angeles smeken me dan: 'Kom toch naar hier, bij ons ben je veilig.' Drama, drama, drama. Maar in Zuid-Korea zijn we helemaal niet zo bezig met dat gedoe. Tuurlijk zijn we bang van oorlog, tuurlijk houden we niet van raketten, en tuurlijk hopen we dat de relatie tussen beide Korea's verbetert, maar we hebben een leven te leiden, kinderen op te voeden, rekeningen te betalen, vrienden te bezoeken. Uiteindelijk kunnen we er toch niks aan doen. Het is werk voor politici. Heb je zelf een schuilkelder?Bong: Ik woon in een flat. Als ik er één zou graven, zit ik bij mijn onderbuur. (lacht)Hoe zie jij de toekomst van de twee Korea's nu Donald Trump voor vredesduif speelt?Bong: De relatie is verbeterd, veel mensen zijn optimistisch, en Kim en Trump zijn... unieke persoonlijkheden. Héél unieke. (grijnst)Slotvraag: Wat brengt de nabije toekomst?Bong: Voetbal. Ik wil nu eerst even tot rust komen en over voetbal praten. Uiteraard supporter ik voor Sonny (Son Heung-min, de Zuid-Koreaanse stervoetballer die voor Tottenham Hotspur speelt, nvdr.). Come on, you Spurs!