'Zeg eens, wat wil je van me weten?' vraagt Nicolas Cage vanachter een veel te grote zonnebril nadat we elkaar de hand hebben geschud. In een hotelkamer een zonnebril ophouden is gewoonlijk iets voor rocksterren die harder aan hun imago dan aan hun muziek werken. Cage lijkt hem op te hebben om niet meteen te laten zien hoe snel de blik in zijn ogen wild wordt. Ook als de camera niet draait, is Nicolas Cage een personage. Het is nog maar de vraag of hij daar zelf veel aan kan doen. Hij lijkt wel born to be Cage.
...

'Zeg eens, wat wil je van me weten?' vraagt Nicolas Cage vanachter een veel te grote zonnebril nadat we elkaar de hand hebben geschud. In een hotelkamer een zonnebril ophouden is gewoonlijk iets voor rocksterren die harder aan hun imago dan aan hun muziek werken. Cage lijkt hem op te hebben om niet meteen te laten zien hoe snel de blik in zijn ogen wild wordt. Ook als de camera niet draait, is Nicolas Cage een personage. Het is nog maar de vraag of hij daar zelf veel aan kan doen. Hij lijkt wel born to be Cage. Het respect voor dat personage kent grotere pieken en dalen dan de prijs van een vat ruwe olie. Zijn buitenissige gelaatsuitdrukkingen, manische poses en hoogst eigenaardige kapsels werden de afgelopen jaren gretig gebruikt in memes en internetfilmpjes allerhande. Filmregisseurs en -producenten profiteerden schaamteloos van de wetmatigheid dat een film met Cage wel heel slecht kan zijn, maar nooit saai. Met een onwaarschijnlijk gemiddelde van vijf rollen per jaar ontpopte de steracteur uit Raising Arizona (1987), Wild at Heart (1990), Leaving Las Vegas (1995), Adaptation (2002) en zoveel ander fijn spul zich als de stachanovist van Hollywood. Alleen weet u dat niet, want het gros van zijn recente output is niet goed genoeg bevonden voor een bioscooprelease. En terecht! U moest toeren uithalen om Cage aan het werk te zien als een professor op zoek naar zijn ontvoerde zoon (Pay the Ghost), een excentrieke bouwvakker die van God de opdracht krijgt om Osama bin Laden op te pakken (Army of One) of een man die na een seance merkt dat de geest van zijn overleden vrouw vastzit in het lichaam van de stervende dochter van het medium (Between Worlds). Op dit moment is A Score to Settle populair op Play More, een thriller over een terminale crimineel die zich na een lange celstraf wreekt op zijn vroegere kompanen. Die film moet het jammer genoeg volledig hebben van de schaarse Cage Rage-momenten. Toch is Cage geen oude glorie die verdrinkt in het moeras van straight-to-streaming-miskleunen. Hij is een acteur zonder limieten of remmingen. Cage is liever ridicuul dan grijs en zoals alle anderen. 'Ik heb me nog nooit afgevraagd of iets bespottelijk is, ook al blijkt dat af en toe effectief het geval. Ik geef uitsluitend om de vertolking en om wat een scène nodig heeft.' Komedies, blockbusters, een Gouden Palm, een Oscarprent, B-films, de betere indiefilms, werk van Lynch, Coppola, De Palma en samenwerkingen met regisseurs die zelfs doorgewinterde filmjournalisten niet kennen: aan je filmografie valt geen touw vast te knopen. Zie jij wel een rode draad? Nicolas Cage: Ik mag hopen van niet. Ik heb er een erezaak van gemaakt om een zo eclectisch mogelijk oeuvre bij elkaar te acteren. Toen ik de beslissing nam om me op actie- en avonturenfilms te storten, zag ik dat als een experiment. Zoals het ook een experiment was om mee te spelen in films die voor Cannes geselecteerd worden. Waarom zou je kiezen? Waarom zou je jezelf sterk uiteenlopende ervaringen ontzeggen? Heb je dan geen enkele persoonlijke voorkeur?Cage: Amper. Ook mijn smaak is eclectisch. Ik ben niet alleen een grote fan van Marlon Brando, James Dean en Humphrey Bogart, maar ook van Charles Bronson, Clint Eastwood, Sean Connery en Bruce Lee. Als kind zag ik bijna alles wat op tv kwam. Ik wilde niet kiezen tussen Brando en Bronson, ik wilde ze allebei zijn en vroeg me af hoe ik dat voor mekaar kon krijgen. Daarom heb ik nooit geaarzeld telkens als zich de kans voordeed om iets nieuws uit te proberen. Dat is de acteur die ik ben geworden. Dat is de mens die ik ben geworden. Dat het moeilijk is om zo'n loopbaan te sturen, neem ik erbij. Wie enkel weet heeft van wat je de laatste jaren hebt gedaan, heeft een heel verkeerd beeld van je carrière.Cage: Mijn roots liggen in de independent cinema. Ik heb me ontplooid in films als Raising Arizona van Joel en Ethan Coen. Maar dat verleden is bijna volledig overschaduwd door al die actie- en avonturenfilms waarin ik later heb geacteerd. Dat speelt me soms parten. Bringing Out the Dead van Martin Scorsese en Paul Schrader was een intense film met een onafhankelijke spirit en bijna abstracte scènes, maar omdat ik erin meespeelde, besloot Paramount hem te verkopen als een actiefilm. Dat was misleiding van het publiek, natuurlijk, en daar wordt niemand beter van. Als acteur leer je wel om je niet al te druk maken in dat soort ongelukkige situaties, of toch niet blijvend. Je leert te surfen. Naarmate ik ouder word, kom ik tot het besef dat ik terug wil naar mijn roots. Ik wil álles blijven doen, maar ik zou graag hebben dat films als Dog Eat Dog van Paul Schrader of Joe van David Gordon Green opnieuw de basis van mijn werk vormen. Nou ja, eigenlijk wil ik vooral meer in volstrekt originele en grensverleggende films opduiken. Niemand verplicht je toch mee te spelen in die actiefilms die geen bioscooprelease krijgen? Cage: Ik zal je vertellen waarom ik actie- en avonturenfilms ben beginnen te maken. Het was op een heel specifiek moment in mijn leven. Ik trok met mijn vader door Afrika en belandde in een streek waar mensen nog in hutten leefden. In die hutten bleken ze graag naar films te kijken. Weet je welke? De films van Charles Bronson! Die films begrepen ze, die filmtaal bleek universeel. Daar en toen ontstond de ambitie om een acteur te worden die de mensen in die hutten zouden herkennen. Waarom neem je zoveel hooi op je vork? Cage: Ik ben rusteloos. Ik ben altijd op zoek naar een nieuw geluid, naar de volgende stap. Ik ben een eeuwige student. Ik wil blijven bijleren, nieuwe ervaringen opdoen, grenzen verleggen. Als ik dat nalaat, verlies ik mijn interesse en dat kan ik me simpelweg niet veroorloven. Dat zou gevaarlijk zijn. Ik móét bezig bleven. Er doen heel wat wilde verhalen over jou de ronde. Geloof je in verlossing, zoals Paul Schrader, de scenarist van Taxi Driver met wie je tweemaal samenwerkte? Cage: Ja, maar daar leg ik geen publieke verklaringen over af. Ik denk dat je vernederingen nodig hebt om te evolueren. Ik zal mijn vernederingen niet opsommen, want er zijn er al heel wat bekend. Het internet staat er vol mee. Dat houdt me nederig. Ik veronderstel dat dat ook een soort verlossing is. *** Sinds zijn performance in de psychedelische huivertrip Mandy (2018) groeit het aantal filmliefhebbers die ervan overtuigd zijn dat Cage een standbeeld verdient voor zijn dappere en vrij eenzame strijd tegen saai, naturalistisch acteren. Ze geloven dat Cage een lepe performancekunstenaar is die de mensheid wil beschermen tegen de allerbelabberdste filmrommel door er zelf in mee te spelen en er een tweetal scènes in te smokkelen die de verbeelding tarten. Daar valt iets voor te zeggen. Anderzijds kun je zijn extreme bedrijvigheid niet los zien van zijn financiële besognes. Cage - het neefje van New Hollywood-legende Francis Ford Coppola - verdiende in de jaren negentig sloten geld met blockbusters als The Rock en het hilarische Con Air, maar verloor zichzelf ook in een jarenlange koopwoede: hij vergooide meer dan honderdvijftig miljoen dollar aan kastelen, een privé-eiland, koningscobra's, een dinoschedel, een sarcofaag en banaler duur spul als sportwagens. Hij ging zelfs op zoek naar de heilige graal. Aan die lucratieve blockbusterperiode ging Oscarwinst vooraf. De huidige koning van de memes won een kwarteeuw geleden de Academy Award voor beste acteur met Leaving Las Vegas van Mike Figgis, over een scenarist die zich in Sin City wil dooddrinken maar een intieme band krijgt met een prostituee. Voor Cage zelf was vooral Wild at Heart 'speciaal'. Met die gewelddadige, romantische roadmovie won David Lynch dertig jaar geleden de Gouden Palm op het festival van Cannes. Met veel kleur en theater en in een jasje van slangenleer gestoken speelt Cage een geile ex-gedetineerde met een zwak voor Elvis Presley die met zijn al even geile geliefde (Laura Dern) het avontuur opzoekt terwijl een huurmoordenaar hen achtervolgt. Wat is er zo bijzonder aan Wild at Heart, behalve dat het een volbloed David Lynch is en dat Willem Dafoe rotte tanden heeft en zijn hoofd eraf schiet? Cage: Wild at Heart was écht speciaal, een grote gebeurtenis in mijn leven. Voor mij was het een unieke gelegenheid om te experimenteren met artistieke synchroniciteit: het principe dat wat in de ene kunstvorm lukt, je ook in een andere kunstvorm kunt toepassen. Wat in muziek mogelijk is, is ook mogelijk in film en omgekeerd. Ik ben een bewonderaar van Warhols buitengewone portrettenreeksen van iconen en vroeg me af of ik dat principe niet kon toepassen in Wild at Heart. Mijn vertolking in die film is niet elvisiaans maar warholiaans. Ik had niet Elvis voor ogen, maar de Pop Art Elvis van Andy Warhol. Het was de eerste keer dat ik die verf aan mijn palet toevoegde. Heb je later nog aan artistieke synchroniciteit gedaan?Cage: Zeker. De schreeuw van Edvard Munch was een inspiratiebron voor Ghost Rider. Voor mijn personage in Kick-Ass was Adam West (de acteur die Batman speelde in de gelijknamige tv-serie, nvdr) een lichtend voorbeeld, voor Dog Eat Dog was dat Humphrey Bogart. Ik heb An Actor Prepares gelezen. Dat prachtige boek van de Russische acteermethodoloog Constantin Stanislavski prikkelde mijn brein. Een van zijn belangrijkste regels is dat je nooit iemand mag imiteren. Uiteraard stimuleerde dat mij om die regel wél met de voeten te treden. Want waarom zou je bij voorbaat iets uitsluiten? Ik ben een heel grote fan van Prince. In zijn gitaarspel herken ik de invloed van Jimi Hendrix. Maar dat maakt Prince toch niet minder Prince? Dat maakt hem net méér Prince. Ik ben niet helemaal mee, vrees ik. Cage:Wild at Heart was een erg belangrijke opstap voor me. Sinds die film heb ik gebroken met de regel dat je geen andere geluiden kunt laten horen dan die van jezelf. Mijn punt is dat acteurs zelden of nooit de vorm durven te breken, van de bestaande gebruiken of methodes durven af te wijken. Maar waarom niet, vraag ik mij dan af. Ik zeg niet dat je moet gek doen om gek te doen. Of een film en een personage nu om een gestileerde of een naturalistische vertolking vragen, de toewijding en de concentratie is dezelfde. Ik neem het allebei ernstig. Maar waarom zou je je register beperken? Waarom zou je hetzelfde doen als alle anderen? Er zijn zoveel mogelijkheden, zoveel instrumenten die je als acteur kunt bespelen. Gebruik je verbeelding, gebruik je nachtmerries, durf je diepste emoties te tonen en trek het je niet aan als sommigen zich daar ongemakkelijk door voelen.