Awoertgeroep alom in Cannes toen de persscreening van Okja al na vijf minuten terug werd stilgelegd. Niet omwille van een boycotactie tegen de Netflixfilm door boze bioscoopuitbaters, wel omdat het festival hem nota bene in een fout formaat had opgestart.
...

Awoertgeroep alom in Cannes toen de persscreening van Okja al na vijf minuten terug werd stilgelegd. Niet omwille van een boycotactie tegen de Netflixfilm door boze bioscoopuitbaters, wel omdat het festival hem nota bene in een fout formaat had opgestart. Het was de ironie ten top, aangezien de film straks sowieso wereldwijd in het foute formaat zal worden vertoond. Op tv, laptops of smartphones met name, want Netflix plant geen bioscoopreleases van zijn filmproducties, een oorlogsstrategie tegen het bestaande distributiesysteem dat nog voor de start van het festival voor de nodige commotie zorgde.De film zelf? Daarin doet het Koreaanse goudhaantje Bong Joon ho wat hij in voorgangers The Host en Snowpiercer ook al deed: dystopische sciencefiction mengen met politiek-sociale satire, en actie met kolder. Dit keer mikt Bong op de vleesindustrie en corporate America met zijn groteske fabel over een bedrijf dat genetisch gemuteerde maar ecologisch volledig verantwoorde supervarkens kweekt. Tilda Swinton is de gesjeesde ceo van dienst, Jake Gyllenhaal de geflipte zoöloog die het kweekprogramma mag hosten op tv en Paul Dano de fanatieke leider van het Animal Liberation Front dat het hypocriete bedrijf wil ontmaskeren. Maar de echte vedette van de scifishow is Okja, het mutante, uit bits en bytes opgetrokken reuzevarken dat van Korea naar New York wordt versleept als pronkstuk van het hele opzet.Was The Host een zwierig geregisseerde, even slimme als geestige en bij momenten zelfs aandoenlijke mix van Hollywoodiaanse monsteractie en bijtende eco-satire, dan is de metafoor van Okja zo log en vadsig als het digitale beest zelf. Al van in de proloog - waarin Swinton heerlijk over the top gaat als een soort hedendaagse Cruella de Ville die het op varkens heeft begrepen - trekt Bong de farcikale kaart, wat af en toe een geïnspireerde gag oplevert maar al even vaak slappe kolder, met voorop een volstrekt ongrappige Gyllenhaal die de Groucho Marx in zichzelf voelt opwellen, maar over de komische timing van Bobby de Niro blijkt te beschikken.Niet dat Bong zijn mojo kwijt is. Hij weet nog altijd hoe je een actiesequens moet regisseren, en ook nu is de film - met dank aan topcameraman Darius Khondji - een lust voor het oog. Alleen hangt het allemaal met haken en ogen aaneen, lijkt het de fantasie van een vijftienjarige vegetariër die te veel SF-pulp heeft gelezen en bekeken en blijft het finaal ergens tussen The Hudsucker Proxy, The Island of Dr.Moreau, Gattaca en Babe in hangen. Noch vlees, noch vis - om maar even in hetzelfde jargon te blijven.