'People try to put us d-down. Just because we get around. Things they do look awful c-c-cold. I hope I die before I get old.' Dat is wat Roger Daltrey in 1965 zong, hijgde en schreeuwde in The Who-klassieker My Generation, en waarmee de blonde modgod meteen perfect de s-s-sentimenten van een nieuwe, rebelse generatie jongeren verklankte.
...

'People try to put us d-down. Just because we get around. Things they do look awful c-c-cold. I hope I die before I get old.' Dat is wat Roger Daltrey in 1965 zong, hijgde en schreeuwde in The Who-klassieker My Generation, en waarmee de blonde modgod meteen perfect de s-s-sentimenten van een nieuwe, rebelse generatie jongeren verklankte. Die had schoon genoeg van het conservatisme van hun ouders, wilde vrank en vrij zijn, profiteerde volop van de economische boom na de oorlogsjaren en leefde daar ook naar. Popgroepen als The Beatles, The Rolling Stones, The Kinks en The Who werden hun helden en herauten, in de straten verschenen meisjes in minirok en jongens met lang haar. Ook nieuw: voor het eerst leek het geen flikker meer uit te maken uit welke sociale klasse je kwam. Plots kon je het tot filmster schoppen, zelfs al was je de zoon van een Londense visboer, sprak je met een vettig Cockney-accent en droeg je een hoornen brilmontuur. Het bewijs? Dat luisterde naar de naam Michael Caine. Of beter: Maurice Micklewhite, de naam die hij bij zijn geboorte op 14 maart 1933 meekreeg. Gelukkig stierf Caine niet voor hij oud werd. Maar ook al is de man die dankzij hoofdrollen in Alfie en The Italian Job uitgroeide tot een van de meest iconische gezichten én stemmen van de swinging sixties inmiddels 84, hij heeft nog altijd de swagger van een young lad, en de tijd om op zijn lauweren te rusten heeft hij amper. Zo was Caine, die in zijn zestigjarige carrière twee Oscars, Golden Globes en BAFTA's won, de afgelopen jaren niet alleen te zien in zo ongeveer alle films van Christopher Nolan, de working class kid die zich sinds 2000 Sir mag noemen van de Queen speelde twee jaar geleden nog de hoofdrol in Paolo Sorrentino's Youth, en met My Generation heeft hij zopas ook een gloednieuwe documentaire geproduceerd. Daarin bezingen Caine en regisseur David Batty, middels archiefbeelden, filmfragmenten, popdeuntjes en casual gesprekjes die hij off-screen voert met geprivilegieerde getuigen de merites van zijn generatie, die komaf maakte met sociale en seksuele barrières. Op het lijstje dat hij voor zijn luchtige lofzang kon strikken: popsterren Paul McCartney, Roger Daltrey, Sandy Shaw en Marianne Faithfull, supermodellen Twiggy en Penelope Tree, hotpantsontwerpster Mary Quant, actrice Joan Collins, fotograaf Terry O'Neill en ander jong, hip workingclassvolk van weleer, dat een emancipatorische wind door de popcultuur deed waaien en van Londen het epicentrum van Cool Britannia maakte. My Generation is een ode aan de generatie van de swinging sixties, maar onlangs zei regisseur Paul Schrader me: 'Ik behoor tot de meest bevoorrechte generatie die de mensheid ooit gekend heeft, en toch hebben we het allemaal verkloot.' Michael Caine: Hoe oud is Schrader? 71? Dat is een babyboomer. Mijn generatie groeide op voor en tijdens de oorlog en ging aan de babyboomers vooraf. Die kwamen pas kijken aan het einde van de jaren zestig. Wij hebben niets verneukt. We zijn degenen die al het emancipatorische werk voor hen hebben opgeknapt. Wij hebben de seksuele en statusbarrières gesloopt, wij hebben de rug gerecht tegen het establishment, zodat zij er konden van profiteren. Wij hebben alleen dingen ten goede veranderd. Mochten wij er niet geweest zijn, dan zaten we nog altijd in het tijdperk van de industriële slavernij en waren we in Groot- Brittannië nog altijd geobsedeerd door klasse. Mijn ouders hadden voor de eerste keer seks toen ze trouwden, kregen kinderen en deden zestig jaar lang hetzelfde werk. Wij zeiden: 'No fucking way. Laten we eerst verschillende dingen proeven en zien wat we het lekkerst vinden. Op alle niveaus.' (lacht)De these van de documentaire luidt dat het de werkende klasse is die de emancipatiegolf op gang heeft gebracht. Caine: Dat is ook zo. De werkende klasse kwam in film of theater totaal niet aan bod. Het allereerste stuk dat in Groot-Brittannië over een working class hero geschreven werd, was Look Back in Anger van John Osborne. In 1956. Ik heb ooit een filmrol verloren omdat ik geen telefoon had. Die hadden werkmensen toen niet. Vroeger werd je status of succes bepaald door je opvoeding, door de klasse waartoe je behoorde en het geld dat je op je bankrekening had staan. Wij hebben iedereen daarvan bevrijd. Waar kwam die gezamenlijke geldingsdrang plots vandaan? Caine: Aan de basis lagen een gedeelde achtergrond en een gedeelde ambitie. We hadden het niet breed toen we begonnen, en we hadden geen mama en papa die ons geld toestopten. We werkten tot we net genoeg hadden om de maand door te komen en vrij te zijn om de dingen te doen die we leuk vonden. Dat was revolutionair, en onze ouders waren jaloers op die vrijheid die we voor onszelf claimden omdat ze die nooit hadden gekend of voor mogelijk hadden gehouden. Iedereen die ik kende, was working class - mijn pa was visverkoper, mijn moeder huishoudster -, maar we werden muzikanten, regisseurs, journalisten, ontwerpers; jobs die daarvoor enkel de betere klassen toebehoorden. Ik deelde indertijd een flatje met John Barry, met Terence Stamp, met Vidal Sassoon. Roger Moore was een van mijn beste maten. We waren allemaal working class en hadden geen penny, maar toch hebben we een succesvolle carrière kunnen uitbouwen. Iedereen kende ook iedereen. We hielpen elkaar omdat we niet anders konden. Ik herinner me nog dat Terence Stamp ooit zijn jongere broertje Chris meebracht. Ik vroeg hem wat hij met zijn leven wilde doen. Hij zei: een popgroep managen. Daarop trokken we naar de pub, zagen we een leuk bandje spelen en vroegen we hun: kunnen we jullie muziek uitbrengen? En hoe heette dat bandje? The Who. Een paar jaar later was hij multimiljonair. Niet dat ik ooit een cent van hem gekregen heb, maar goed. (lacht)Is dat geen heel romantische kijk op jouw generatie? Veel jongeren met artistieke ambities zullen het destijds níét gemaakt hebben. Caine: Tuurlijk zijn die er. Wij hebben het pad geëffend, maar wat je met die vrijheid doet, is je eigen verantwoordelijkheid. Dat de babyboomers zichzelf en de Aarde kapot hebben geconsumeerd, is onze schuld niet. Ik zeg niet dat we dankzij ons in een sprookjeswereld leven, of dat alle vooroordelen weggewerkt zijn - vraag dat maar aan immigranten of mensen met een andere huidskleur -, maar het draait tenminste niet meer allemaal om geld, of om waar je geboren bent. Het gaat nu ook om je talent. In de docu gaat het alleen over artiesten uit de arbeidersklasse, niet over sportlui. Die waren minstens zo iconisch voor de sixties. Denk maar aan Bobby Charlton of George Best. Caine: We hebben geen sportmensen geïnterviewd omdat die sowieso allemaal working class waren. Dat was niets nieuws. De film gaat over klasse binnen de kunsten. Als je voetballer wilde worden, moest je working class zijn. Upperclassjongens speelden polo of cricket.Je hebt tal van grote namen kunnen interviewen, maar toch krijg je die in de film enkel te horen. Waarom?? Caine: Om twee redenen. Ten eerste: de geïnterviewden krijg je te zien in de tv-serie die normaal gezien op de film zal volgen. In de film gebruiken we slechts een twaalftal van de in totaal vijftig interviews die we hebben afgenomen. En ten tweede: we tonen bewust enkel archiefbeelden van hoe de getuigen er toen uitzagen. We wilden in de sixties blijven, en vermijden dat de kijker zou denken: goh, wat is hij of zij oud geworden. Dat zijn we sowieso. (grijnst)Heb je op je 84e nog veel voeling met de jongere generaties? Caine: Ik ben geen oude zak, als je dat vriendelijk suggereert. (lacht) Ik heb ook een iPhone en een laptop. Maar dat zijn dingen die door jongere mensen zijn uitgevonden. Dat heeft niets met sociale klasse te maken. Je vraagt jezelf over diegene die Google heeft uitgevonden toch ook niet af: is hij upper of working class? Een miljonair is hij sowieso. Maar dat soort vragen werden in de jaren veertig en vijftig wel per definitie gesteld zodra iemand succes bleek te hebben. Je bent nog steeds actief als acteur. Kunnen de films van nu je wel nog boeien? Caine: Ik kijk naar alle films. Britse, Italiaanse, Franse. Blockbusters of arthouse. Ik ga 's morgens naar de bioscoop en kom 's avonds laat terug thuis. Vraag me alleen niet om films op een iPad te bekijken. Dat is veel te klein en daar zijn films ook niet voor bedoeld. Ik stream ze wel bij me thuis, op mijn home theatre. La la Land vond ik fantastisch. Manchester by the Sea. Moonlight. Momenteel loopt in de zalen vrijwel alleen maar crap, want de beste films sparen ze op voor het najaar, wanneer het awardseizoen eraan komt. Ik ben lid van zowel de Amerikaanse als de Europese Academy, dus kan ik niet wachten tot ze mij opnieuw alle dvd's toesturen. Mijn kleinkinderen ook niet, want ik krijg ook alle animatiefilms. (lacht)Je hebt in Alfie, The Italian Job, Sleuth, The Man Who Would be King, Hannah and her Sisters en tal van andere filmklassiekers gespeeld. Om welke rollen wil je zelf graag herinnerd worden? Caine: Artistiek wil ik graag herinnerd worden als de beste acteur die ik kon zijn. Niet als de beste acteur, ook al heb ik dat ooit geprobeerd. Maar als de beste die ik met mijn talent kon zijn. Ik heb mezelf nooit gemeten met anderen. Ik ben fan van Bogart, Brando en noem de groten maar op, maar hun standaard heeft me nooit geïnteresseerd. Je moet je eigen pad volgen, je eigen kwaliteitsnorm bepalen. Sociaal wil ik herinnerd worden als een communist. Als iemand die iedereen gelijk behandelde, ongeacht zijn of haar sociale, religieuze of raciale afkomst. The Queen of de krantenboer: iedereen is voor mij gelijk. Zolang je maar niet denkt dat ik politiek ook een communist ben. Mijn vader was katholiek, mijn moeder protestants, ik ben opgevoed door Joden en ik ben getrouwd met een moslima. Men vraagt me soms of ik in God geloof. Dan antwoord ik: 'Ja, dat moet je wel als je mijn leven hebt gehad.' (lacht) Een andere reden kan ik niet bedenken. Je bent in 2000 door The Queen tot ridder geslagen. Betekent die titel dan niets voor jou? Caine: Ik ben een dankbare volksjongen, maar ik hoef helemaal niet met Sir aangesproken te worden. Als je mij Maurice wilt noemen: ook goed. Hoe kwam je van Micklewhite eigenlijk bij Caine terecht? Caine: Puur toeval. Na een auditie werd ik opgebeld door een agente en die zei: 'Goed nieuws. Je hebt de rol. Maar je moet wel nu meteen een andere artiestennaam kiezen, want er blijkt al een acteur te zijn die Michael White heet.' Dat was de naam die ik eerst had opgegeven, want Maurice Micklewhite klonk niet showbizzachtig genoeg. In de bioscoop om de hoek draaide op dat moment The Caine Mutiny, een oorlogsfilm met Humphrey Bogart, en het was de eerste naam die ik op de affiche zag staan. Op dat moment is Michael Caine geboren. Gelukkig stond ik niet bij de andere bioscoop honderd meter verderop, of ik heette nu Michael 101 Dalmatiërs. (lacht)