In het leven en de carrière van de Havilland duiken steevast dezelfde namen op: regisseur Michael Curtiz, acteur Errol Flynn, boezemvriendin Bette Davis en zus Joan Fontaine, met wie haar relatie een leven lang problematisch was en gekenmerkt werd door rivaliteit.

Als klassieke schoonheid met aristocratische trekken was de Havilland uitermate geschikt voor periodefilms. Maar voordat zij schitterde in het beroemde epos Gone with the Wind (1939) over de Amerikaanse burgeroorlog, had zij al enkele jaren in westerns en actieprenten aan haar Hollywoodweg getimmerd.

Haar filmdebuut maakte ze in 1935 in de Shakespeare-adaptatie A Midsummernight's Dream, geregisseerd door de legendarische theatermaker Max Reinhardt. Die was het die de jonge Olivia van de planken naar de spotlights bracht. Datzelfde jaar was het meteen prijs in de swashbuckler Captain Blood van Michael Curtiz, waar ze acteerde naast de toen nog (eventjes) onbekende Errol Flynn. Uiteindelijk speelde het filmpaar Flynn-de Havilland in acht films, meestal onder regie van Curtiz, de pannen van het dak, getuige The charge of the light brigade (1936), The adventures of Robin Hood (1938), waar zij de rol van Maid Marian vertolkte, en haar allereerste western Dodge City (1939). Voldoende om in de gossip-pers als koppeltje in het echte leven uitgespeeld te worden, maar dat bleek erg vroegtijdig fake news.

In de gouden Hollywoodjaren waren 'liaisons' met andere grootheden nagenoeg verplichte kost. In het geval van de Havilland betekende dat relaties met Howard Hughes, James Stewart en John Huston, vooraleer huwelijken volgden met minder grote, maar wel steenrijke lui als auteur Marcus Goodrich en journalist Pierre Galante van Paris Match.

Voor Gone with the Wind weigerde de Havilland te hengelen naar de hoofdrol, die van southern belle Scarlett O'Hara. Niet diepgaand genoeg, vond de actrice die het nooit bij good looks wou houden. Zij koos voor de rol van Melanie Hamilton, een karakter waarmee ze zich veel meer kon verzoenen.

Amper was 'Gejaagd door de Wind' aan haar triomftocht begonnen of de Havilland schitterde opnieuw, naast Flynn en Bette Davis, in het historische drama The Life and Times of Elizabeth and Essex. Dat niet zij, maar Davis de hoofdrol vertolkte, deed wenkbrauwen fronsen. Nog geen jaar later deden Flynn-de Havilland weer van zich spreken in They died with their boots on van Raoul Walsh, een film losjes gebaseerd op het huwelijk van de beruchte generaal Custer, de man van het fiasco in Little Big Horn, met ene 'Libbie' Bacon. Het was de achtste - en laatste - samenwerking van het gouden filmpaar.

Medio de jaren 40 verdween de actrice bijna twee jaar van het scherm. Dat was te wijten aan het succesvolle proces dat zij tegen haar werkgever Warner Bros had aangespannen. De rechter stemde in met de Havillands argument dat een studio een acteur contractueel niet langer dan zeven jaar aan zich mag binden. De omzetting van dat vonnis in de arbeidswet staat nog steeds bekend als de De Havilland Law. Het leverde haar sympathie van de collega's op, maar ook een 'virtuele blacklisting' door een negatieve Warner-campagne. Haar politiek activisme bracht de Havilland op een bepaald moment ook gevaarlijk dicht bij het door Hollywood als satanisch verachte communisme.

Alsof die smeercampagne haar ook privé aantastte, blonk de Havilland na haar terugkeer uit in twee psychologische thrillers, waarin zij alle registers van de gekwelde vrouw opentrok: in The Dark Mirror (1946) speelde zij zelfs de dubbelrol van twee zusters, een 'normale' en een psychotische. En het drama The Snake Pit (1948) geldt in de Hollywoodgeschiedenis als een van de allereerste pogingen om geestesziekten realistisch uit te beelden.

Voor haar rol in het periodedrama The Heiress (1949) van William Wyler won de Havilland onder andere de Oscar voor beste actrice. Dat was, na haar rol in To each his own, haar tweede, en laatste, beeldje.

Werd de Havilland in de jaren 50 al te veel uitgespeeld in romantische melodrama's, dan sloeg zij in de sixties tweemaal genadeloos terug: als door hooligans geterroriseerde dichteres in het grauwe Lady in a Cage (1964) en als vervanger van Joan Crawford in Hush hush, sweet Charlotte van Robert Aldrich, de opvolger van Whatever happened to Baby Jane?. In die film speelt ze naast haar boezemvriendin Bette Davis, maar op het witte scherm knetterde de jaloezie en wreedheid onder het oppervlakkige, gecultiveerde gedrag van de twee personages.

Was dat omdat ze haar zus Joan in gedachten had? Over haar verhouding met haar één jaar jongere zus, die het zich door Olivia niet kon veroorloven om onder de echte familienaam De Havilland te acteren, kunnen vele boekdelen gevuld worden. Berucht is de Oscaravond van 1942 toen zowel Olivia (voor Hold back the dawn) als Joan (in Hitchcocks Suspicion) genomineerd waren. Joan won, maar weigerde de felicitaties van haar oudere zus, die haar tijdens hun jeugdjaren altijd gepest zou hebben.

Na haar laatste speelfilm in 1979 (The Fifth Musketeer) hield de actrice zich nog een tiental jaar bezig met tv-werk vooraleer in 1989, na 54 jaar in het vak en 49 langspeelfilms, van haar oude dag te genieten in Parijs. Dat heeft ze uiteindelijk nog meer dan drie decennia gekund.

In het leven en de carrière van de Havilland duiken steevast dezelfde namen op: regisseur Michael Curtiz, acteur Errol Flynn, boezemvriendin Bette Davis en zus Joan Fontaine, met wie haar relatie een leven lang problematisch was en gekenmerkt werd door rivaliteit. Als klassieke schoonheid met aristocratische trekken was de Havilland uitermate geschikt voor periodefilms. Maar voordat zij schitterde in het beroemde epos Gone with the Wind (1939) over de Amerikaanse burgeroorlog, had zij al enkele jaren in westerns en actieprenten aan haar Hollywoodweg getimmerd. Haar filmdebuut maakte ze in 1935 in de Shakespeare-adaptatie A Midsummernight's Dream, geregisseerd door de legendarische theatermaker Max Reinhardt. Die was het die de jonge Olivia van de planken naar de spotlights bracht. Datzelfde jaar was het meteen prijs in de swashbuckler Captain Blood van Michael Curtiz, waar ze acteerde naast de toen nog (eventjes) onbekende Errol Flynn. Uiteindelijk speelde het filmpaar Flynn-de Havilland in acht films, meestal onder regie van Curtiz, de pannen van het dak, getuige The charge of the light brigade (1936), The adventures of Robin Hood (1938), waar zij de rol van Maid Marian vertolkte, en haar allereerste western Dodge City (1939). Voldoende om in de gossip-pers als koppeltje in het echte leven uitgespeeld te worden, maar dat bleek erg vroegtijdig fake news. In de gouden Hollywoodjaren waren 'liaisons' met andere grootheden nagenoeg verplichte kost. In het geval van de Havilland betekende dat relaties met Howard Hughes, James Stewart en John Huston, vooraleer huwelijken volgden met minder grote, maar wel steenrijke lui als auteur Marcus Goodrich en journalist Pierre Galante van Paris Match. Voor Gone with the Wind weigerde de Havilland te hengelen naar de hoofdrol, die van southern belle Scarlett O'Hara. Niet diepgaand genoeg, vond de actrice die het nooit bij good looks wou houden. Zij koos voor de rol van Melanie Hamilton, een karakter waarmee ze zich veel meer kon verzoenen. Amper was 'Gejaagd door de Wind' aan haar triomftocht begonnen of de Havilland schitterde opnieuw, naast Flynn en Bette Davis, in het historische drama The Life and Times of Elizabeth and Essex. Dat niet zij, maar Davis de hoofdrol vertolkte, deed wenkbrauwen fronsen. Nog geen jaar later deden Flynn-de Havilland weer van zich spreken in They died with their boots on van Raoul Walsh, een film losjes gebaseerd op het huwelijk van de beruchte generaal Custer, de man van het fiasco in Little Big Horn, met ene 'Libbie' Bacon. Het was de achtste - en laatste - samenwerking van het gouden filmpaar. Medio de jaren 40 verdween de actrice bijna twee jaar van het scherm. Dat was te wijten aan het succesvolle proces dat zij tegen haar werkgever Warner Bros had aangespannen. De rechter stemde in met de Havillands argument dat een studio een acteur contractueel niet langer dan zeven jaar aan zich mag binden. De omzetting van dat vonnis in de arbeidswet staat nog steeds bekend als de De Havilland Law. Het leverde haar sympathie van de collega's op, maar ook een 'virtuele blacklisting' door een negatieve Warner-campagne. Haar politiek activisme bracht de Havilland op een bepaald moment ook gevaarlijk dicht bij het door Hollywood als satanisch verachte communisme. Alsof die smeercampagne haar ook privé aantastte, blonk de Havilland na haar terugkeer uit in twee psychologische thrillers, waarin zij alle registers van de gekwelde vrouw opentrok: in The Dark Mirror (1946) speelde zij zelfs de dubbelrol van twee zusters, een 'normale' en een psychotische. En het drama The Snake Pit (1948) geldt in de Hollywoodgeschiedenis als een van de allereerste pogingen om geestesziekten realistisch uit te beelden. Voor haar rol in het periodedrama The Heiress (1949) van William Wyler won de Havilland onder andere de Oscar voor beste actrice. Dat was, na haar rol in To each his own, haar tweede, en laatste, beeldje. Werd de Havilland in de jaren 50 al te veel uitgespeeld in romantische melodrama's, dan sloeg zij in de sixties tweemaal genadeloos terug: als door hooligans geterroriseerde dichteres in het grauwe Lady in a Cage (1964) en als vervanger van Joan Crawford in Hush hush, sweet Charlotte van Robert Aldrich, de opvolger van Whatever happened to Baby Jane?. In die film speelt ze naast haar boezemvriendin Bette Davis, maar op het witte scherm knetterde de jaloezie en wreedheid onder het oppervlakkige, gecultiveerde gedrag van de twee personages. Was dat omdat ze haar zus Joan in gedachten had? Over haar verhouding met haar één jaar jongere zus, die het zich door Olivia niet kon veroorloven om onder de echte familienaam De Havilland te acteren, kunnen vele boekdelen gevuld worden. Berucht is de Oscaravond van 1942 toen zowel Olivia (voor Hold back the dawn) als Joan (in Hitchcocks Suspicion) genomineerd waren. Joan won, maar weigerde de felicitaties van haar oudere zus, die haar tijdens hun jeugdjaren altijd gepest zou hebben. Na haar laatste speelfilm in 1979 (The Fifth Musketeer) hield de actrice zich nog een tiental jaar bezig met tv-werk vooraleer in 1989, na 54 jaar in het vak en 49 langspeelfilms, van haar oude dag te genieten in Parijs. Dat heeft ze uiteindelijk nog meer dan drie decennia gekund.