Er schuilt een puur cinefiel genoegen in een grote gorilla luchtvaartuigen tegen de grond te zien slaan. Regisseur Jordan Vogt-Roberts schenkt dat genoegen al in het eerste kwartier van zijn remake van King Kong waarin een groep wetenschappers met een militair escorte naar de natuurlijke habitat van de uit de kluiten gewassen aap trekt. Daarna is het onmiddellijk uit met de cinefiele pret. Met pret tout court.
...

Er schuilt een puur cinefiel genoegen in een grote gorilla luchtvaartuigen tegen de grond te zien slaan. Regisseur Jordan Vogt-Roberts schenkt dat genoegen al in het eerste kwartier van zijn remake van King Kong waarin een groep wetenschappers met een militair escorte naar de natuurlijke habitat van de uit de kluiten gewassen aap trekt. Daarna is het onmiddellijk uit met de cinefiele pret. Met pret tout court.In Vogt-Roberts broodjeaapverhaal zijn het trouwens geen vliegtuigen maar Huey-helikopters die door Kong brutaal het luchtruim uitgeknikkerd worden. De regisseur situeerde Kong: Skull Island immers in de nadagen van de Vietnamoorlog. Meer dan een overdaad aan gratuite Apocalypse Now-referenties -- knipoog voor de kenners en quizzers: één personage heet Conrad -- en enkele fraaie plaatjes van heli's tegen een bloedrode zon levert dat niet op. Het maakt ook niet uit want het cinefiele plezier dat schuilt in kijken naar de manier waarop Kong palmbomen als speren door helikopters jaagt, is net dat het doet terugdenken aan de jaren waarin de primaat nog gewoon tweedekkers in tweeën brak.Met King Kong vonden Merian C. Cooper en Ernest B. Schoedsack in 1933 de groots opgezette monsterfilm uit en dat deden ze onder andere door speciale effecten als stop-motion animatie, achtergrondprojectie en miniaturen op ongeziene wijze in hun verhaal te integreren. De effecten die Vogt-Roberts inzet om zíjn grote beesten tot leven te wekken zijn niet bepaald ongezien. Zowat elke blockbuster van de laatste tien jaar maakte er al gebruik van. U zag ze allicht vorig jaar nog in Colin Trevorrows Jurassic World. En omdat die film meer dan anderhalf miljard dollar opbracht door grote cgi-creaturen tegen elkaar te laten knokken, moeten de producenten van Kong: Skull Island gedacht hebben dat zoiets voor hun monsterproject ook wel zou volstaan. De Jurassic Park-franchise is trouwens, veel meer dan Francis Ford Coppola's Vietnamklassieker, de échte inspiratie achter deze boze beestenboel die niet enkel apen maar ook forse waterbuffels en andere, onguurdere, schepsels bevat. Alleen jammer dat Vogt-Roberts zich door de slechtste films uit de reeks liet beïnvloeden. Zijn finale haalde hij uit Jurassic World en aan Spielbergs The Lost World uit 1997 ontleende hij de rest van zijn plot over wetenschappers, burgers en militairen die elk met hun eigen motieven naar een door monsters bevolkt eiland trekken. De les die Spielberg voor zijn eerste dinosaurusavontuur nochtans van King Kong geleerd had, was dat monsters hun echte impact pas krijgen door hun interactie met die andere aapachtige: de mens.Waar Jurassic Park speelde met kinderlijke verwondering en waar King Kong de passie van de primaat met een episch gevoel voor tragiek wist te brengen, verspeelt Kong: Skull Island elke kans op enige charme met digitale borstklopperij.