Batman, Han Solo, Buzz Lightyear, de poëzieleraar uit Dead Poets Society of de depressieve huisvader uit Little Miss Sunshine: het lijstje van rollen waar Bill Murray al op zijn bekende, laconieke manier voor bedankte, oogt stilaan langer dan de reeks schadeclaims aan het adres van Harvey Weinstein. Dat hoeft niet te verwonderen. Murray heeft Hollywood altijd al meer als een hobby dan als een carrière beschouwd én het weerhield The Murricane, zoals zijn National Lampoon- en Saturday Night Live-kompaan Dan Aykroyd hem doopte, er niet van om een kloek cv uit te bouwen.
...

Batman, Han Solo, Buzz Lightyear, de poëzieleraar uit Dead Poets Society of de depressieve huisvader uit Little Miss Sunshine: het lijstje van rollen waar Bill Murray al op zijn bekende, laconieke manier voor bedankte, oogt stilaan langer dan de reeks schadeclaims aan het adres van Harvey Weinstein. Dat hoeft niet te verwonderen. Murray heeft Hollywood altijd al meer als een hobby dan als een carrière beschouwd én het weerhield The Murricane, zoals zijn National Lampoon- en Saturday Night Live-kompaan Dan Aykroyd hem doopte, er niet van om een kloek cv uit te bouwen. Dat bevat overigens heus niet alleen komische klassiekers als Caddyshack (1980), Ghostbusters (1984) en Groundhog Day (1993), films waarin Murray - zijn dunne haar chronisch in de war, zijn blik eeuwig op oneindig - zich als een kruising van Buster Keaton en Droopy manifesteert. Zo nu en dan, wanneer hij er zin in heeft, de wind uit de goede richting waait en de mensen aardig zijn, zet de inmiddels 67-jarige cultkomiek uit Illinois ook al eens een personage van vlees, bloed en zelfs de nodige tragiek neer. Dat deed hij zonder succes in The Razor's Edge (1984), een bloedernstige W. Somerset Maugham-adaptatie die zo lauw werd onthaald dat hij zich tijdelijk uit de filmbizz terugtrok en filosofie ging studeren aan de Sorbonne. Hij deed het met succes in Lost in Translation (2003), Sofia Coppola's mooie meditatie over de vergankelijkheid van faam en fortuin die hem zelfs een Oscarnominatie opleverde. En sinds Rushmore doet hij het in elke film van Wes Anderson. Met hun gortdroge gevoel voor humor, hun sympathie voor outsiders en sullen en hun liefde voor gedemodeerde dingen lijken Murray en de maker van parels als The Royal Tenenbaums, Moonrise Kingdom en The Grand Budapest Hotel perfect bij elkaar te passen. 'Ik zou alles doen voor Wes', zegt Murray formeel wanneer we hem ontmoeten in Berlijn, waar Andersons nieuwste film Isle of Dogs net in première is gegaan. In dat dystopische avontuur in stop-motion, de animatietechniek die de Amerikaanse filmfetisjist ook al bezigde in Fantastic Mr.Fox (2009), mag Murray de alfahond Boss van stem voorzien. 'Ik neem elke rol even ernstig. Ik heb maanden geleefd op hondenbrokken, in een kennel. Het was hard en slopend, maar ik ben ervan overtuigd dat je mijn pijn hoort in elk woord dat ik in de film uitspreek.' Je schertst, maar hoe bereid je je eigenlijk voor op zo'n stemmenrol? Bill Murray: Warme melk drinken om je stembanden te smeren? Eigenlijk zou je niet mij of de andere acteurs moeten interviewen, maar de vele briljante animatiemensen die drie jaar keihard aan deze film hebben gewerkt. Zo'n stop-motionanimator doet een volledige week over een paar seconden film. Hun werktempo ligt nog een stuk lager dan het mijne, en die mensen zijn tien uur per dag in de weer. Wij hebben hooguit een paar uur in de studio gezeten met Wes. Was het een gezellige boel? Murray: We hebben de stemmen dit keer apart ingesproken. Voor Fantastic Mr. Fox zijn we indertijd allemaal samen naar een boerderij in Connecticut getrokken, tussen kippen en schapen. We hebben alle stemmen en geluiden daar toen ook opgenomen. Het was fun. We dronken 's avonds lekkere wijn en we vertelden elkaar grappige verhalen. Voor Isle of Dogs hebben we het elk apart gedaan. Ik heb een viertal dagen met Wes gewerkt, in Londen, maar ik had die klus ook in 45 minuten kunnen klaren. De week daarop moest ik voor twee dagen naar Parijs om 25 minuten te werken. Daarna een dag naar Italië. Dan een week Japan. Het was een reis rond de wereld met Wes en zijn recorder. Ik voelde me een zwerfhond, wat in dit geval van pas kwam. Geen wonder dat films zoveel kosten. Acteren is twintig procent werk, tachtig procent betaald toerisme. Je hebt Bob Balaban, Jeff Goldblum, Bryan Cranston, Liev Schreiber, Edward Norton en de andere stemacteurs dus nooit gezien? Murray: Toch wel, één keer. We hebben een dag met alle alfahonden samen in een studio in Manhattan doorgebracht. Om wat te jammen en een roedelgevoel te kweken. We deden honden na, en al snel bleek dat ik als de beste kon kwispelen met mijn staart. Sommigen begonnen zichzelf ook te likken. Ik zal niet verklappen wie. Die studio leek trouwens recht uit een Wes Anderson-film te komen. Geen idee hoe Wes die gevonden had - hij zat ergens verscholen op de tiende etage van een flatgebouw - maar hij had van die funky seventiesmeubels, zetels met ruitjesmotief en opnametoestellen met van die dikke, ronde draaiknoppen. Het mengpaneel leek wel de stuurcabine van Steve Zissou (de door Murray vertolkte oceanograaf uit Andersons avonturenkomedie The Life Aquatic with Steve Zissou , nvdr.). Isle of Dogs gaat over honden die op bevel van een politicus die honden haat verbannen worden naar een afvaleiland. Onmogelijk om niet aan de huidige politieke toestand in de VS te denken, ook al gaat het om een scifi-avontuur dat zich afspeelt in Japan. Murray: Je moet weten dat de film al geschreven was nog voor Trump en zijn politiek van uitsluiting aan de oppervlakte kwamen. Blijkbaar hingen die dingen dus in de lucht. Ook in Europa, trouwens. Ik denk dat Wes dat politieke aspect tijdens het maken omarmd heeft, maar dan zonder het op de voorgrond te duwen, of in de weg te laten lopen van het verhaal en de personages. Dat doet hij nooit, al voel je dat politiek een grotere rol speelt dan vroeger. In eerdere films ging het meer over de politiek van familiedynamieken. Dat element is nog altijd aanwezig, maar met de jaren zijn Wes' films nog complexer en rijker geworden. Je bent een ervaringsdeskundige, want Isle of Dogs is al jullie achtste film samen. Wat trekt je zo aan tot Andersons universum? Murray: Je zult begrijpen dat ik die vraag al duizend keer heb gekregen. Als je ze op een originele manier kunt stellen, wil ik antwoorden. Begrijp me niet verkeerd: het is een legitieme vraag, maar ik kan niet blijven varianten verzinnen. Misleid me, choqueer me of verras me. Eerst even iets anders: hoe was het om terug te keren naar Japan, waar je indertijd Lost in Translation hebt gedraaid? Murray: Ik ben er sindsdien al vaak geweest. Ik heb er een paar keer met Jim Jarmusch gedraaid, die verzot is op de Japanse cultuur en cinema. Japan is verschrikkelijk leuk. Het is onmogelijk om er slecht te eten. En wat me ook altijd fascineert: de straten hebben er geen naam. Ik heb me altijd afgevraagd hoe Japanners op hun bestemming raken. Het is alsof ze een diepere geografische wijsheid hebben. Bovendien zijn het de gulste lachers ter wereld. In Amerika ontmoet je enkel Japanse zakenmannen en die zijn zo strak als hun pakken en alle andere zakenlui. Maar de gewone Japanner giechelt en grolt de hele dag door, lijkt het wel. Mijn eerste werk zodra dit interview afgelopen is, is Wes overtuigen om me mee te nemen voor de première ginds. Geen wonder dat je maar om de zoveel tijd een film maakt. Murray: Mijn motto is: werk hard tijdens het werk om daarbuiten zo weinig mogelijk te hoeven werken. En ik houd me daar al jaren aan, met ijzeren discipline. Eerlijk? Ik begrijp al die acteurs niet die zes, zeven films per jaar doen. Ik heb kinderen, vrienden, hobby's. Ik hou van een warm bad elke dag en van gitaar spelen. Ik heb net nog Smoke on the Water leren spelen op een Afghaanse gitaar. Ik hou ook van baseball (Murray is mede-eigenaar van de professionele baseballclub St. Paul Saints uit Minnesota, nvdr.). Onlangs heb ik zelfs nog meegespeeld in een benefietwedstrijd waarbij we plastic sumopakken droegen. Best lastig, een balletje slaan met zo'n opblaasbaar ding aan. Die dingen kun je dus doen omdat Wes Anderson de afgelopen jaren je voornaamste werkgever was? Murray: Aha, de waarom-ik-graag-met-Wes-werk-vraag, maar dan anders. Goed zo. De oerkracht in het leven is wakker worden. Dát, en Wes Anderson. Als hij belt, schiet de oerkracht in me wakker. Ik ben van nature lui, en Wes is diegene die me daarvan bewust maakt. We delen dezelfde fascinaties, we hebben hetzelfde gevoel voor humor, en hij is een geestige, slimme vent om mee op te trekken, maar qua arbeidsethos zit hij helemaal boven op de vuilnisbelt, terwijl ik hooguit wat rondsnuffel onderaan. Je ziet dat ook aan zijn films. Alle shots en scènes zijn zo doordacht, zo rijk aan details. Hij is geobsedeerd door cinema, en zijn drive werkt magnetisch en haalt het beste in me naar boven. God heb ik nog nooit aan de lijn gehad, maar wel al een paar keer Wes Anderson. Dichter bij een spirituele ervaring zal ik allicht nooit komen. Hij belt je zowaar op een smartphone, zie ik. Murray: Die heb ik gekregen van mijn kinderen (Murray heeft er zes, én 2 exen, nvdr.). Eigenlijk hou ik niet van telefoons. Ik zit ook niet op sociale media. Ik ben sociaal van nature. Ik begrijp dingen als Facebook en Twitter niet. Waarom zou ik mijn leven moeten documenteren voor anderen? Wat ik uitvreet, zijn mijn zaken en niemand is zo boeiend dat je de klok rond wilt weten wat hij aan het doen is.