'We hadden telefonisch een beetje gepraat, maar het is moeilijk haar te verstaan met dat accent', zei Joaquin Phoenix in Vanity Fair over zijn eerste contacten met de Schotse regisseur. 'Dus zei ik gewoon heel vaak 'yeah' terwijl ik zo goed mogelijk probeerde te begrijpen wat ze zei.'
...

'We hadden telefonisch een beetje gepraat, maar het is moeilijk haar te verstaan met dat accent', zei Joaquin Phoenix in Vanity Fair over zijn eerste contacten met de Schotse regisseur. 'Dus zei ik gewoon heel vaak 'yeah' terwijl ik zo goed mogelijk probeerde te begrijpen wat ze zei.' Het is nog goed gekomen tussen de Amerikaanse acteur en de bevlogen regisseuse van Ratcatcher (1999), Morvern Callar (2002) en We Need to Talk about Kevin (2011). Zeer goed zelfs. Beiden vielen op het voorbije filmfestival van Cannes in de prijzen: zij kreeg de prijs voor beste scenario, hij die voor beste acteur. Meer nog, You Were Never Really Here wordt zomaar eventjes de Taxi Driver van de eenentwintigste eeuw genoemd. Dat is veel eer, maar de gelijkenissen met de klassieker van Martin Scorsese zijn ook duidelijk: Beide films spelen zich af in New York, beide volgen een levensmoeë, eenzame ex-soldaat die op mistoestanden botst en verlossing wil afdwingen door een jong meisje uit de klauwen van pooiers te redden en Phoenix' vertolking doet niet onder voor die van Robert De Niro destijds. En net als Scorsese ádemt Ramsay film: met stilistische hoogstandjes, gedurfde vormkeuzes en de woeste filmmuziek van Radioheads Jonny Greenwood, maakt ze van B-filmmateriaal intense cinema die je helemaal onderdompelt in de wereld die ze schildert. Er is plot en spanning: een getraumatiseerde suïcidale oorlogsveteraan wil een kind redden uit een netwerk voor hooggeplaatste pedofielen. Het favoriete wapen van de getormenteerde antiheld? Een hamer. Maar voor Ramsay zijn dat allemaal slechts smoezen om haar muze te filmen: Joaquin Phoenix. Met een onvoorwaardelijke liefde en van zeer dichtbij filmt ze zijn massieve lichaam, zijn lelijke zwerversbaard, zijn littekens, zijn oude ziel zoals weerspiegeld in een verpletterend droevige blik. De bewondering is overigens wederzijds: Phoenix heeft al publiekelijk de lof van haar toewijding en passie bezongen, verklaarde dat films maken voor Ramsay geen job is maar 'iets meer'. Wat mogen we daaronder verstaan? Lynne Ramsay: O God, begin jij altijd met de moeilijkste vraag? Alleen als jij voor me zit. Ramsay: (lacht) Vooruit dan. Films maken is mijn lust en mijn leven, dus ik denk dat je van een roeping mag spreken. Films vréten tijd, zeker als je zoals ik je scenario's zelf schrijft. Als je dan niet heilig in je project gelooft, moet je er niet aan beginnen. Ik heb me al elke keer volledig laten meeslepen door mijn film. Joaquin moet daar overigens niet te veel commentaar op hebben: hij is zelf zo. Dat leidt, bij ons allebei ook, tot een gek zigeunerbestaan. Ik reis de wereld rond. Het script voor You Were Never Really Here heb ik ik geschreven op een vulkaaneiland. Op de eerste opnamedag sprong je pardoes in het zwembad om Phoenix even bij te staan en moest je kletsnat terug naar het hotel. Ben je altijd zo impulsief? Ramsay: Ik ben graag betrokken. Er bestaat een filmpje waarin je me aan het werk ziet op de set van Morvern Callar. Ik doe hoofdrolspeelster Samantha Morton voor wat ze moet doen en lijk wel een of andere gek. Het ziet eruit alsof ik de bewegingen en gevoelens van haar personage zélf wil beleven.Ik ben al zo sinds mijn kindertijd. Volgens mijn mama was ik het gemakkelijkste kind ooit: een blad papier en een pen en ik was de rest van de dag stil. Ik ging helemaal op in mijn tekeningen en verhalen. Je kon me perfect vijf uur alleen in een hoekje laten. Mijn moeder mocht zo veel en zo hard roepen als ze wilde - 'Lynne? Lynne! Lynne!!!' - als mijn verbeelding op volle toeren draaide, was ik weg van de wereld. You Were Never Really Here is helemaal opgehangen aan Joaquin Phoenix. Wat als hij gepast had? Ramsay: Dat is gelukkig een hypothetische vraag. In de scenariofase kleefde zijn foto op mijn computer. Dat was uiteraard wishful thinking: je kunt er niet van uitgaan dat Joaquin Phoenix een rol zal aanvaarden. Bovendien heeft mijn film wat van een genrefilm en daar had hij zich nog niet mee ingelaten. Producers waarschuwden mij ook dat hij weinig pers doet, maar dat soort dingen kan me geen zak schelen. Een neen behoorde tot de mogelijkheden, was zelfs waarschijnlijk, maar ik ben er altijd van uitgegaan dat hij ja zou zeggen. Ik dacht aan hem en aan niemand anders.Tijdens ons eerste telefoongesprek leek het meteen alsof we elkaar al ons hele leven kenden. Ráár, toch? Zo raar vind ik dat niet. Soms klikt het gewoon tussen twee mensen. Ramsay: Het was meer dan een klik. We voelen ons zielsverwanten. Alsof hij een broer van een andere moeder is. Een gelijkgestemde ziel met dezelfde neiging om zichzelf voortdurend in vraag te stellen en te verbeteren. Dat is cruciaal in een creatief beroep. Joaquin neemt geen genoegen met second best, daarom is hij zo goed. Is een scène authentiek of dikke bullshit? Hoe maak je ze nog interessanter? Ik heb dat ook. Als het zou kunnen, teken ik hier en nu om nog tien films met hem te maken. Daar moet dan wel minstens een komedie tussen zitten. Je zou het niet zeggen op basis van zijn intense vertolkingen maar Joaquin is een grapjas. Hij haalt de hele tijd practical jokes uit en plaagt graag. Net als in James Grays Two Lovers (2008) is de droefenis van Phoenix in jouw film haast ondraaglijk. Waar komt die toch vandaan? Ramsay: Tja, hoe breng je dat onder woorden? Joaquin heeft soms iets van een gewond dier. Zoals hij lopen er geen twee rond. Zijn emotionele bereik is enorm. Met die afgrijselijke zwerversbaard en dat struise lichaam ziet hij er overigens niet uit als de doorsneewraakengel. Ramsay: Ik wilde geen atletische, knappe wraakengel met een sixpack. Ik wilde een kwetsbare Joe. Als de film ergens, een béétje, hoopvol is dan is het vanwege het lazaruselement, een man die bij wijze van spreken uit de doden opstaat. Normaal slaat zijn missie de wreker helemaal murw. Hier krijg je de antithese daarvan. Door zijn missie begint Joe steeds meer te voelen, hij wordt net méér mens. Op het einde is hij bijna een kind. Joe doodt zijn tegenstanders bij voorkeur met een hamer. Jouw - filmische - voorkeur ook? Ramsay: Vuurwapens lichten op, maken veel lawaai en kun je van op afstand gebruiken. De impact van een hamer is helemaal anders. Ik hou van de heimelijkheid van dat wapen. Een hamer maakt geen geluid maar resulteert wel in visceraal geweld. Die hamer illustreert ook het fysieke van zijn job. Joe is een machine: hij doet wat hij moet doen, bespiedt zijn prooi, slaat toe, en verdwijnt. Je suggereert wel meer geweld dan je laat zien. Ramsay: Ik heb daar lang over nagedacht. Amerikaanse stuntmannen en actiechoreografen pakken graag uit met hun kunnen en hun trucjes om het geweld er cool te doen uitzien. Ik moest hen teleurstellen. Ik wilde het tegenovergestelde, géén supercool, gestileerd filmgeweld. Wat is er mis met supercool, gestileerd filmgeweld? Ramsay: Niets. Ik ben bijvoorbeeld gek op Tarantino maar dat is niet waar ík op uit ben. We zijn niet voor een supercoole wraakfilm gegaan. Zag je hoe Joaquin Phoenix erbij loopt? Hij lijkt wel een clochard. Geweld bepaalt de hartslag van zo'n donkere film. Maar het mag de kijker gerust ook uitdagen en aan het denken zetten: waarom en hoe kijken we naar geweld? Binnen het framework van genrefilms heb je veel vrijheid en kun je heel experimenteel zijn. Geweldige regisseurs als Sam Fuller regisseerden échte B-films die écht ergens over gingen of stof voor debat boden door de onderstroom in de Amerikaanse samenleving te belichten. Je kunt een domme genrefilm maken over een schrijver die gek wordt maar je kunt ook The Shining maken. Begrijp je wat ik bedoel? Bij jou draait alles om het personage. Ramsay: (knikt) En dat is een belangrijk verschil met de doorsneegenrefilm. Martin Scorsese zei daar iets briljants over, iets in de trant van: ik herinner me zelden de plot en bijna altijd de personages en de bijzondere momenten. Al mijn films focussen op de personages. Ratcatcher, Morvern Callar, We Need to Talk about Kevin, deze: complexe karakterstudies zijn mijn ding.Karakterkoppen zijn ook je ding. Je werkt opvallend graag met acteurs met een sterke persoonlijkheid en bijzondere fysiek. Ramsay: Ik heb het voor acteurs die 'anders' zijn. Samantha Morton, uit Morvern Callar, lijkt soms een alien. In het tijdperk van de stille film zou ze uitgeblonken hebben. In mijn eerste film, het coming-of-agedrama Ratcatcher, castte ik niet klassiek mooie jongens en meisjes, maar kinderen met enorme oren, scheve kinnen of karaktervolle koppen. Casten is negentig procent van het werk. De acteurs die mij aantrekken, zijn zelf ook gecompliceerde persoonlijkheden. Samantha heeft geen gemakkelijke jeugd gehad: ze heeft heel wat pleegouders en pleegtehuizen versleten en heel wat shit meegemaakt. Tilda Swinton, die in We Need to Talk about Kevin speelde, ook. Ze zijn zich bewust van hun complexiteit en kunnen veel van zichzelf in hun spel leggen. Dat zijn de interessantste acteurs. Maart 2013 werd je in Santa Fe verwacht voor de opnames van Jane Got a Gun, een western met Natalie Portman, maar je daagde niet op. Dat heeft veel inkt doen vloeien. Was je niet bang dat je na zo'n stoot nooit meer aan de bak zou komen? Ramsay: Daar dacht ik niet aan. Het grappige is: Joaquin Phoenix is daardoor geïntrigeerd geraakt. 'Je had de ballen om van een filmset weg te lopen omdat er iets niet pluis was. Daar heb ik respect voor', zei hij. Waar wrong het schoentje? Ramsay: Dat is een droevig verhaal. (zucht) Ik wilde een heel andere film dan de financiers maar dat werd me pas laat duidelijk. Het uiteindelijke script had een heel ander einde dan de donkere western die de jonge scenarist Brian Duffield voor ogen had. Ik ben niet licht over mijn beslissing gegaan. De volledige voorbereiding was achter de rug. Ik wist dat ik de final cut zou verliezen van zodra ik ook maar een dag overtijd was, en aangezien we buiten het seizoen in de woestijn zouden filmen was een dag vertraging bijna een zekerheid. Het is triestig omdat er al zoveel creatief werk verricht was en je uiteraard wilt dat al dat werk ergens toe leidt. Ik troost me met de gedachte dat ik die film in mijn hoofd al helemaal gemaakt had. Daar hebben wij wel niets aan. Ramsay: Misschien maak ik ooit nog een western. (lacht)The Times noemt You Were Never Really Here de Taxi Driver van de eenentwintigste eeuw. Veel filmjournalisten leggen die link.Ramsay: Ik ben blij met die vergelijking. Ik zie de gelijkenis ook wel: New York, een beschadigd hoofdpersonage. Ik weet alleen niet hoe ik erop moet reageren. Taxi Driver blijft een onwaarschijnlijke klassieker. In een dezelfde zin genoemd worden vind ik een ongelofelijke eer. Om eerlijk te zijn: ik vind je film meer Lynch dan Scorsese. Alleen al die titel. Ramsay: Ha! Ik ben een grote bewonderaar van David Lynch, een echte maverick en nog altijd een grote vernieuwer. Hij rust niet op zijn lauweren en. heeft op zijn leeftijd blijft nog steeds de ambitie om grenzen te verleggen. Ik herinner me de eerste keer dat ik Blue Velvet zag, In Glasgow. De helft van het publiek liep boos de zaal uit omdat ze er niets van begrepen. Ik was verbluft en kon mijn geluk niet op. Lynch is zéker een inspiratie. Ik durf alleen niet te zeggen of zich dat ook in mijn werk weerspiegelt. Misschien wel in dit: bij Lynch ben je nooit zeker van wat er gebeurt, wie er goed is en wie slecht. Waar komt dat geweld vandaan? Wat doen die mieren in het gras? In You Were Never Really Here kun je ook niet helemaal zeker zijn van wat je ziet. Er is een vleugje surrealisme. Zit je in een droom? Wat is echt, wat niet? Aan de kijker om dat uit te maken.